Wie mooi wil zijn…

30 maart 2014
Gisteren vierde Niels zijn verjaardag! Omdat we de hele dag druk boodschappen hebben gedaan, hapjes gemaakt en het huis gepoetst, zat mijn haar in een staartje. Daar is het namelijk sinds enkele weken lang genoeg voor. Aangezien het bij mijn avond-outfit paste om mijn haar uit het gezicht te dragen, liet ik dat zo. Niets mis mee, dacht ik. Ik vond het zelfs wel zakelijk en elegant staan.

De huiskamer zat vol familie, de taartjes stonden klaar en alles liep op rolletjes. Totdat schoonmoeder S. die ene vernietigende vraag stelde: ‘Laat je je haar groeien?’ Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Want als je haar eruit ziet alsof je het laat groeien, is dat geen compliment. Nu was ik expres al 4 maanden niet naar de kapper geweest, inderdaad, omdat ik het laat groeien, maar deze vraag voorspelde niet veel goeds. Daarbij moet ik even uitleggen dat schoonmoeder S. er verstand van heeft. Ze is kapster, visagiste, schoonheidsspecialiste en nog veel meer, en geeft daar ook les in. Dus als schoonmoeder S. vraagt of ik mijn haar laat groeien, dan is dat best even spannend. ‘Eehm, ja ik denk het wel… Nou ja, ik moet over 2 weken naar de kapper en dan hoop ik dat ze er iets van kan maken waardoor mijn haar weer een beetje mooi valt’, probeerde ik.

De familie keek met ingehouden adem toe terwijl schoonmoeder S. wat aan mijn haar plukte. Ze wilde graag even kijken of de kapper er inderdaad nog iets mee zou kunnen, dus ik trok het elastiekje eruit. ‘Veel beter zo hoor, laat maar hangen.’, zei moeders. Oma beaamde dat en toen kwam het hoge woord eruit: Mijn haar op een staartje was truttig. Erg truttig. Niets zakelijk en elegant. Truttig was het. Iedereen had het al weken gezien. Iedereen dacht hetzelfde, maar niemand heeft het me verteld (ja, mijn moeder wel, maar je kunt niet alles geloven wat je moeder zegt), totdat schoonmoeder S. de stoute schoenen aantrok.

Inmiddels had ik een kam gehaald en probeerde schoonmoeder S. te redden wat er te redden viel. Nu ben ik bij haar in goede handen, maar het voelde toch een beetje alsof ik en plein publique werd uitgekleed. Het leek op een interventie. Weet je wel, wat ze met drugsverslaafden doen om ze bewust te maken van het probleem. Ik was me namelijk ook niet bewust van mijn probleem. Ik hàd tot dat moment niet eens een probleem. Tot dat moment dacht ik gewoon dat ik hip was. Hoe heb ik dat ooit kunnen denken? Zat ik daar in de stoel, terwijl de hele familie toekeek. En iedereen was het roerend met elkaar eens.

Er ging van alles door me heen. ‘De schaar erin!’, dacht ik. ‘Blond moet het worden’, dacht ik. ‘Ik zie er al weken niet uit en niemand die me dat heeft verteld’, dacht ik. Maar vooral ‘De halve vrouwelijke wereldbevolking draagt haar haar op een staartje, of laat het maar een beetje hangen. En zij komen er gewoon mee weg! Ik föhn altijd! Hoezo ligt bij mij die lat zo hoog?’ Er werd geplukt, gekamd, getoupeerd, er werd zelfs een speldje uit schoonmoeder S. kapsel getrokken om het mijne te redden. Als mijn kapsel zo’n opoffering waard was, dan moest het wel heel erg zijn, begreep ik.

Na een paar minuten was het klaar. Mijn familie keek tevreden en volgens schoonmoeder S. was ik weer helemaal hip & happening. Het zat weer op een staartje. Maar dan bol getoupeerd. Mijn kapsel was mijn outfit weer waardig. Als ik mijn haar zo doe, dan mag ik het laten groeien.
En nu weet ik het al helemaal niet meer. Want als het zo’n heisa is om lang haar er een beetje hip uit te laten zien, dan was die korte boblijn toch wel handig.

Maargoed, de interventie was een succes. Dankjewel, schoonmoeder S. Ik ben weer fashionable en heb mijn les geleerd:

Wie mooi wil zijn… moet haar haar touperen! Of de schaar ter hand nemen, één van de twee…

Vooraanzicht.

Vooraanzicht.

Zijaanzicht.

Zijaanzicht.

Bankhangaanzicht.

Bankhangaanzicht.

*Klik*, maar deel met mate.

23 maart 2014
Eergisteren beschreef Metro dat aan één op de tien ontslagen onhandig gebruik van sociale media ten grondslag ligt.
We kunnen allemaal bedenken dat een werkgever ‘not amused is’ als je steeds post dat je geen zin hebt in je werk, en al helemaal niet als je shop-foto’s deelt als je je ziek hebt gemeld. Een profiel vol foto’s in dronken toestand kan voor je baas ook een afknapper zijn, laat staan voor een eventueel toekomstige baas.

Maar wat als je zelf wel voorzichtig omgaat met internet? Wat als er allerlei foto’s op internet ronddwarrelen, doordat je ouders in je kindertijd ieder boertje dat je liet deelden met de rest van de wereld?

Natuurlijk deel je je geluk met de wereld als je papa & mama bent geworden (wel graag als het kind niet meer onder de drab zit). Van een dagje Efteling zet je een kiekje op Facebook. Als papa in een ochtendknuffel half wordt vermorzeld door z’n twee dochters, is dat grappig. En als je kindje ziek is, wil je steun uit je omgeving, dus dat meld je. Dat snap ik, echt waar. Ik post namelijk ook weleens iets over mijn kat. Wat mij betreft volkomen gezond gedrag.

Maar dan… Er zijn ook ouders die de hele dag niets anders lijken te doen dan foto’s van hun kind posten. Gaat meer dan 80% van je posts over je kind? Deel je haast elke dag een foto van je kind? Tweemaal ja? Misschien ben je dan een beetje tè overenthousiast.
Ik heb schokkend nieuws: Jouw kind is niet het allerbijzonderste kind op aarde. Voor jou wel, maar voor de rest van de wereld is jouw kind ook gewoon een kind. En ik denk eigenlijk dat jij het leuker vind elke dag foto’s van je kind te posten, dan wij om ze elke dag te zien.

Zou ik je een aantal oprechte vragen mogen stellen?:
Heeft je kind er ooit zelf om gevraagd om al die foto’s van hem of haar via internet te verspreiden? Heb je er weleens over nagedacht dat op internet ook ‘vreemde’ personen jouw kind kunnen bekijken? Wil je überhaupt wel dat behalve je naaste familie en vrienden, anderen die foto’s zien?
Ja, je kunt Facebook zo instellen dat alleen vrienden je posts kunnen zien. Maar je zult verbaasd zijn wat er allemaal opduikt op Google Imagesearch. Ook al heb je nu het idee dat je foto’s goed afgeschermd zijn, want Facebook is zo betrouwbaar, wie weet of dat in de toekomst nog zo zal zijn?

Je kind groeit op en zal uiteindelijk een baan zoeken. Hoe denkt een toekomstig werkgever als hij van hun sollicitant foto’s vindt met een bord spaghetti over het hoofd, van 40 graden koorts en een dikke snotpin, van een net volgepoepte broek en van een neuspeuteraar in haar nieuwe prinsessenjurk?
Hopelijk snapt de werkgever dat dit niet zoveel zegt over het intellect van de sollicitant zelf, maar meer over het gebrek daaraan van de ouders in kwestie. Natuurlijk, je bent alleen maar trots en houdt van je kind, maar misschien wil je dit je kind liever besparen?

Zelfs ik vind het leuk om te zien dat jullie een gelukkig gezin zijn. Maar deel verstandig. ‘Alvast bedankt!’, namens je kleine spruit. Tot slot, ik ben Facebookvriend met jou. Ik vind het af en toe ook leuk om te lezen hoe het met jou gaat in plaats van met je ukkepuk.

Vrij.

Schrijfwedstrijd voor Psychologie Magazine. Mei 2010.

Ik werd wakker, 11 december 2003, en voelde me kots- en kotsmisselijk. Maar ik voelde niet alleen mijn buik, dit was anders. Naar dit moment had ik jaren toegewerkt, ergens diep van binnen. Misschien had ik het eerder moeten doen, maar kon de kracht nog niet vinden. Ik wist dat het niet goed zat en heb mezelf altijd toegeschreeuwd dat het niet mijn probleem was, maar jouw probleem.

Bij onze ontmoeting was ik nog een kind. Wat wist ik er nou van? Maar ik wilde je helpen. Zoals ik toen al de hele wereld wilde helpen. Ik was sterk en zelfverzekerd, kon het allemaal wel aan. Ik kon jou wel aan. Met gemak zelfs. Toen jij dat ook besefte wendde je andere methodes aan om mij te laten zien dat jij toch sterker was. Soms liep de spanning zo hoog op dat ik de pijn prefereerde boven de psychische strijd.

Je had beter moeten weten, maar jij was het slachtoffer. Die veronderstelling gaf jou het recht mij te kleineren, vernederen en mijn wil met voeten te treden op elk mogelijk vlak. Je stopte me in een doosje en ik kon er niet meer uit.

Tot nu. Na jaren pijn, onderdrukking en vernedering was dit het moment. Ik pakte de telefoon en toetste je nummer in. ‘Ik wil je wat zeggen… Het is uit.’ Het antwoord: ‘Ok, doei.’
De misselijkheid was over, en maakte plaats voor een vloedgolf aan wanhoop. Ik ben vrij! Maar wat moest ik ermee?

Geachte mevrouw Oosterhuis, beste Trijntje,

18 maart 2014.
Kent u me nog? Vast niet. Dat geeft niet. Ik zal mezelf even voorstellen. Ik ben dat meisje dat 16 jaar geleden ontzettend fan van u was. Ik leerde u kennen bij de opening van de Amsterdam Arena, waar u in een prachtige rode sprookjesjurk het lied ‘De Zee’ vertolkte. Toen kwam ‘Touch me There’, in de formatie ‘Total Touch’ met uw broer Tjeerd. Ik vond u zo leuk want u droeg net zo’n boeren-petje-achterover als ik. Boos stampend ging ik naar mijn kamer als mijn vader weer eens grapte dat u zo ontzettend scheel kijkt.

Toen u met de Zomerfeesten in Gorinchem optrad mocht ik van mijn ouders zelfs langer blijven, zodat ik uw hele optreden kon zien. Ik stond vooraan met mijn voetjes op de onderste sport van het dranghek, om zo maar niets van uw optreden te missen. Ik zong alles mee, zoals ik zo vaak op mijn slaapkamertje met uw CD deed. Ja, het live zien van je grote idool is niet niets voor een 14-jarige. De volgende ochtend liet mijn broer me zien dat u uw handtekening met zwarte merkstift niet op één, maar op zijn beide armen had gezet (volgens mijn vader omdat u een beetje dubbel zag). Hoewel ik het jammer vond dat uw handtekening niet op een papiertje, zijn shirt of iets anders stond dat hij aan mij had kunnen geven, voelde ik me vereerd dat u in hoogsteigen persoon op mijn broer had getekend. Mijn broer, toch dezelfde genen, dus veel dichterbij kon het niet komen.

Na uw ‘Total Touch’ periode volgde wat mij betreft een dipje. Uw eerste duet met Marco Borsato vind ik persoonlijk een draak van een liedje, en daarna werd het rustiger rondom uw persoon. U heeft een CD gemaakt met covers van Burt Bacharach, maar veel verder dan een CD-presentatie bij Life & Cooking kwam dat niet. Daar kan ik best inkomen, want hoewel elk liedje met uw stem mooi klinkt vind ik een CD met covers voor iemand met uw talent niet echt van creativiteit getuigen.

Maar u bent weer helemaal terug! U bent nog steeds één van de beste zangeressen van Nederland, u heeft het catchy uptempo liedje ‘Knocked Out’ en schittert in de jury van de Voice of Holland. Waarschijnlijk is de rol van ‘koel en afstandelijk jurylid’ u enigszins in de schoenen geschoven, maar daar was niets van te merken hoor. U vertolkte deze rol met verve! Ik zette op vrijdagavond de verwarming standaard een graadje hoger, want hoewel het de mildste winter in 100 jaar was, tegen uw kille doch professionele blik zijn zelfs mijn pandasloffen niet opgewassen. Even tussen u en mij, ik denk dat het verstandig is dat u geen jurylid bent bij de Voice Kids.

Ach, u heeft dan misschien een wat afstandelijke uitstraling, gelukkig zit uw hart wel op de goede plaats. Toen u hoorde van de ramp op de Filippijnen, twijfelde u geen moment. Voor iedere ‘like’ zou u 1 euro doneren aan giro 555. Een nobel voornemen, waarbij Nederland zich massaal achter u schaarde. Want, populair als u bent, kreeg uw boodschap wel 200.000 likes! Wat een succes! Wat een prachtige actie voor het goede doel!

Ach, mevrouw Oosterhuis, alle gekheid op een stokje. Een ieder begrijpt dat deze actie een beetje uit de hand is gelopen en dat u niet even 2 ton overmaakt naar het goede doel. Maar we zijn nu toch alweer enkele maanden verder en het hele verhaal is gewoon in de doofpot verdwenen. Ik ben ervan overtuigd dat u een respectabel bedrag heeft gedoneerd, maar was er geen chiquere manier om dit op te lossen? U had toch in ieder geval een poging kunnen doen om een flink deel van het bedrag te bijeen te sprokkelen? Trommel uw showbizz-vrienden op en geef een benefietconcert, of wat mij betreft een barbecue. Ga huis-aan-huis in Hilversum met een collectebus. Veil het jasje dat u bij het eerste seizoen van The Voice droeg, of een huiskamerconcert. U bent bij mij van harte welkom. Maar doe iets. Maakt niet zoveel uit wat, maar doe iets waardoor ik niet al die jaren fan van u ben geweest en u eigenlijk onsympathiek en hautain blijkt te zijn. Iets, waardoor u mijn teleurstelling een beetje wegneemt. Dan weet ik in ieder geval dat u niet alleen een geweldige zangeres bent, maar dat u het hart inderdaad op de juiste plaats heeft.

Maar ik vrees dat het er niet in zit hè, mevrouw Oosterhuis? U hoopt dat iedereen het vergeet. Maar ik vergeet het niet. En weet u wat? Mijn vader heeft gelijk. Lekker puh.

Met vriendelijke groet,

Marissa Harmsen
(Beetje uitbewonderd…)

Het leven begint bij 30 (en het verval ook).

23 februari 2014
Jeetje, wat zag ik er tegenop. Er zijn een paar dingen in het leven die je niet kunt tegenhouden en dit was er één van… 30 worden. En aangezien je het toch niet tegenhoudt, besloot ik maar om het te accepteren en me onder te dompelen in de ouderdom. En nu mijn 30e verjaardag meer dan een maand achter me ligt en ik de grootste schok te boven ben, weet ik dat er leven is na die grens. Maar dat alles hetzelfde is gebleven, daar ben ik het niet mee eens. Sterker nog, ik merk vooral voordelen!

Zo nemen mensen me nu in één klap serieus. In de twintig heb je toch nog een beetje een studentenimago. Veel gebral en alcohol. En als je geen alcohol drinkt, jeetje wat doe je dan met je leven? Hèb je dan wel een leven?
Ben je 30, dan hoef je je niet meer zo te bewijzen. Men neemt aan dat je toch al het een en ander hebt meegemaakt, dat je niet in zeven sloten tegelijk loopt. Daar moet je ofwel 30 voor worden, ofwel een kind baren, dat helpt ook. Maar ik werd liever gewoon 30.

Ik hoor niet meer: ‘Word nou eens volwassen!’ Ben je 30, dan ben je al volwassen. Niet vanwege je gedrag, maar gewoon, vanwege je leeftijd. En het mooie is, je hoeft je niet volwassen te gedragen om als volwassen te worden gezien. Sterker nog; je wordt geadviseerd om het kind in jezelf niet los te laten. Nu had ik daar toch al geen moeite mee, maar ik heb het ter harte genomen. We zijn sinds mijn verjaardag al 2x in Disneyland geweest en mijn Minnie Mouse verjaardagstaart was heerlijk! En in plaats van ‘Maar ben je daar niet al een beetje te oud voor?’, hoor ik ‘Geniet ervan!’. De ‘nu het nog kan’ wordt er gelukkig nog niet aan toegevoegd…

Marissa 30 jaar!

Marissa 30 jaar!

Tot en met je 29e wil je op leeftijd, of net ietsje ouder geschat worden. Want tot dat moment geeft dat namelijk indirect aan hoe serieus je wordt gezien. Nu ben ik nog nooit in mijn leven ouder geschat dan ik daadwerkelijk ben, behalve toen ik 15 was en de kroeg in wilde, maar na je 30e is dat dus ineens prettig. Immers, je volwassenheid is al ‘established’ door je werkelijke leeftijd, dus als je na je 30e jonger wordt geschat, dan is dat ineens een compliment dat je er goed uitziet. Nouja, dat je ‘nog’ goed uitziet. ‘Voor je leeftijd’, dat dan weer wel.

Een pondje extra heb je verdiend. Je hoeft niet meer zo nodig aan het schoonheidsideaal te voldoen. En niet dat 30 een vrijbrief is om ongelimiteerd kilo’s aan te komen, maar ik ben al aan de man, heb een huis gekocht, hoef niet meer elke zaterdag naar Flashback en al zeker niet in iets te strak en te kort jurkje. Ik heb genoten van die tijd en hopelijk Gorinchem met mij, maar het hoeft niet zo nodig meer. Na je 30e ben je een vrouw. Een vrouw mag trots zijn op haar rondingen en dat ben ik dan ook. Maar ik prop ze niet meer in een te kort jurkje. Mijn jurkjes zijn met me meegegroeid en laten mijn rondingen nu mooi uitkomen in plaats van er uitvallen. Dat is misschien nog wel sexyer, en zeker stijlvoller.

Maar oké, ook bij mij is het verval ingezet. Sinds een paar weken draag ik een bril en heb er maar meteen 2 gekocht. Kan ik het op mijn kleding afstemmen, zodat ik helemaal hip & happening ben. Wel doe ik nu een poging om mijn haar langer te laten groeien. Op de een of andere manier voelt dat vrouwelijker. Want ik ben dan misschien de 30 gepasseerd, ik ga niet voor een kort rood makkelijk kapsel, lange oorbellen en een groen montuur. Ik wil er natuurlijk wel een beetje uit blijven zien als de cougar die ik ben.

To Disneyland (again)!

To Disneyland (again)!

Oma roeleert de pan uit.

18 januari 2014.
Lieve lezer, deze blog is langer dan normaal, maar sommige mensen verdienen dat gewoon.

Mijn oma van 99 is best wel een beetje cool. Vorige week was ik jarig en was nog vergeten te bellen om te bedanken voor de financiële bijdrage. Dus vanochtend dacht ik; Weet je wat? Ik ga gewoon even langs, want mijn ouders en tante & oom zijn er ook iedere zondagochtend. Dat ik geen bekende auto zag deed nog geen belletje rinkelen. Na een blijverrast welkom vroeg ik onnozel aan oma: ‘Goh, is er verder niemand op de koffie?’ Waarop mijn oma zei: ‘Nee meisje, die komen toch altijd op zondag?’ En na enkele seconden drong het pas tot me door; Verhip, het is zaterdag. ‘Want het is toch zaterdag? ‘, vroeg oma vertwijfeld. Nu ben ik 30 geworden, maar als je oma van 99 je moet vertellen welke dag het is, voelt dat best een beetje als de twilightzone. Voor ons beiden, blijkbaar. Want zoals je van iemand van die leeftijd kunt verwachten zijn er hele heldere en soms wat minder heldere momenten en nu waren de rollen een beetje omgedraaid. De duistere ik bedacht nog dat het lollig was om oma in het ootje nemen, maar ik concludeerde dat dat niet lief was.

We waren het erover eens dat het inderdaad zaterdag was en ik gaf oma de snoepjes die ik voor haar had meegenomen. Sinds haar laatste verjaardag weten we dat ze Oud-Hollandsche zuurtjes lekker vindt. Aldus oma: ‘Valt wel mee hoor, ik neem er af en toe eentje.’ Maar in 3 weken was de kilo snoepjes helemaal opperdepop, dus we kunnen aannemen dat ze haar smaakten. ‘Kindje, dat is toch niet nodig!’. Toch grappig dat je voor oma altijd een klein meisje blijft. Oma’s horen dingen te geven aan kleinkinderen en niet andersom. Maar oma glunderde stiekem dankbaar, dus de snoepjes waren een schot in de roos.

Gezellig heb ik een kopje thee gezet en met oma aan de keukentafel gezeten. Er moest een theepot aan te pas komen en een theemuts (Voor wie dat niet kent, dat zijn twee kussens waar je de theepot tussen stopt, dan blijft ie warm. Vroeger zette ik dat ding op mijn hoofd, het heette immers een theemuts…), want dat hoort bij de thee. Ik mocht het rozenkopje met het gouden randje pakken, ‘niet die zonder schoteltje hoor’ en kreeg een antiek lepeltje. Ook al was er niets te roeren, ‘Want van suiker krijg ik een dikke kont’, zei ik. Oma moest lachen. Zei niet dat het wel meeviel. Ze lachte alleen maar.
Vervolgens heeft ze drie keer gezegd dat ik een chocolaatje moest nemen. Aangezien ik de genen van mijn vader heb, kan ik geen chocolaatje laten staan, zeker als iemand dat drie keer tegen me zegt. Of iemand nou doorheeft dat ze het drie keer zegt, of niet.

Oma zit in haar 100e levensjaar en ik besefte me vandaag dus dat ze best cool is. Ze heeft een buurjongen, Anton, een ‘jonge gozer’. Misschien is hij al 63, maar hij kan ook 19 zijn, geen idee. Als je zelf 99 bent is iemand al snel een jonge gozer. Oma belt bij Anton aan als de knop van haar gasfornuis niet goed zit. En als Anton zijn sleutel is vergeten, mag hij via het balkon van oma naar zijn eigen balkon klimmen. Dat gebeurt blijkbaar regelmatig, want oma zei nog: ‘De eerste keer kneep ik m’n ogen stevig dicht, maar nu ben ik het wel gewend.’ Geen idee wie die Anton is, maar ik vind het nu al een topvent. ‘Dat doe je als je buren bent, dan sta je voor elkaar klaar’, vindt oma. Er zijn een hoop buren die nog wat van oma kunnen leren.

Oma is ook een tikkeltje eigenwijs. Want jullie kennen mij een beetje? Nou, oma is mij in het kwadraat of misschien wel tot de 3e macht. Een aantal jaren geleden, ik geloof dat ze 93 was, wilde oma graag nog een keer op bezoek bij haar zoon in Zuid-Afrika. Dat heeft ze een paar keer aangegeven, maar de familie ging er niet op in, want het zou wel weer overwaaien. Dus op een mooie dag trok oma eropuit, liep naar het reisbureau en boekte een reis voor 3 maanden naar Zuid-Afrika. Zo jongen, ik kom naar je toe deze lente! Dat er vervolgens nog allerlei dingen bijgeboekt moesten worden omdat ze niet meer van de incheckbalie naar de gate kon lopen, laat staan met een koffer, was van latere zorg. Het ging vroeger ook, dus nu ook. En daar ging ze. Don’t mess with oma.

Vandaag kwam ook nog even mijn stage in Luxemburg ter sprake. Het was 10 jaar geleden en hoe lief iedereen daar ook voor me was, ik had last van heimwee. Ik was een paar dagen thuis geweest en moest weer terug, maar ik was verdrietig. Iedereen was aan het werk en ik wist niet wat ik moest. Toen belde ik oma. We herinneren het ons allebei nog. Oma weet heel goed wat heimwee is. Daar had ze namelijk soms ook wel last van als ze onder de bananenboom in het zonnetje zat in Zuid-Afrika. Nu was dat misschien een iets andere situatie en nu is oma af en toe wat in de war, ze heeft ook een eeuw aan ervaring. En heeft alle emoties waarschijnlijk al veel vaker meegemaakt dan jij en ik bij elkaar. Ze wist me te kalmeren en ik stapte die dag toch weer op de trein naar Luxemburg.

We weten dat het eigenlijk niet meer zo goed gaat, oma op haar flatje alleen. We maken ons zorgen of ze wel goed eet. Zo vergeet ze soms dingetjes die in de koelkast staan. De lieve hulp doet wekelijks boodschapjes en oma wil geen tafeltje-dekje. Ze kan eigenlijk geen 20 meter meer lopen, maar een rollator is voor oude mensen en niet voor oma. Sterker nog; de fysiotherapeut zou haar best kunnen helpen beter te lopen met zo’n ding, maar na de eerste fysiodate had ze zere benen en dat kon niet goed zijn. Dus toen de beste man een week later langskwam heeft ze hem kordaat de deur gewezen. ‘En je hoeft niet meer terug te komen ook.’ Dus. Maargoed, de gehaktbal die ik vandaag in de pan zag liggen zag er overheerlijk uit en zo in haar huisje lijkt ze prima op haar gemakje. We moeten maar aankijken hoe het gaat.

Oma lijkt er in elk geval niet zoveel last van te hebben. Al haalt ze de dingen af en toe een beetje door elkaar. Al geeft ze dan soms een ander daarvan de schuld. Al vertelt ze vandaag voor de 100e keer dat zij thuis ook poezen hebben gehad, dat Mieke wel 16 is geworden en dat Molly is vergiftigd. Van mij mag ze het nog 100 keer vertellen en ik zal nog 100 keer aandachtig luisteren. Ze is oud, maar ik heb haar nog. En ons gezellige thee-onderonsje van vandaag neemt niemand ons meer af.

Kutkerstkaartjes.

27 december 2013.
Lieve Irene, Gerwin en Isabelle, lieve Joeri, lieve Nicole, Léon, Gypsy en Ninja, lieve Diana, Nick en Morris, lieve Martijn en Laura, lieve papa en mama; Via deze weg wil ik jullie graag hartelijk bedanken voor jullie kerstkaartje. Ieder jaar neem ik me weer voor om geen kerstkaartjes te sturen en ieder jaar doe ik het toch. Behalve dit jaar. En gefeliciteerd, ik voel me toch een partij schuldig!

Stiekem dragen kerstkaartjes flink bij aan de voorpret van kerstmis. Bij thuiskomst zie ik zo’n gekleurd envelopje uit de brievenbus steken. Meteen bekijk ik deze nauwkeurig en probeer het handschrift te herkennen. Meestal lukt dat jammer genoeg, waardoor de verrassing er al een beetje vanaf is. Maar ik ben nog steeds benieuwd naar het kaartje en of ik het goed geraden heb. Zoeken naar een brievenopener duurt te lang, dus snel scheur ik het eerste hoekje van de flap. Ik steek mijn wijsvinger in de envelop en rits de bovenkant met lelijke grove rafels open. Maar, open is open! Vol spanning haal ik het kaartje eruit en valt de envelop de op grond. Meestal krijg ik iets met diertjes met sjaaltjes en mutsjes in de sneeuw, en dat is natuurlijk ook het allerleukste. Ik lees de namen en met een beetje geluk de persoonlijke boodschap. Met een warm gevoel van ‘wat leuk dat die persoon aan me heeft gedacht’ zet ik het kaartje op mijn dressoir. Zo af en toe loop ik dan langs en lees ze nog eens. Gezellig.

En dit jaar heb ik er dus voor gekozen om mijn vrienden en familie datzelfde plezier niet te gunnen. Dat kon namelijk niet, want… Ik had het namelijk ontzettend druk met… Nee, ik heb eigenlijk helemaal geen excuus. Ik had er gewoon geen zin in.

Het was heerlijk om me geen zorgen te hoeven maken over wie ik wel of geen kaart zou sturen. Me niet bezig te houden met het feit dat ik 34 kaarten verstuur maar dat de eerste kaart die ik ontvang altijd van iemand is die net niet op mijn lijstje stond. Dat deze persoon nooit zijn postcode achterop de kaart zet, waardoor ik geen idee heb naar welk adres het retourkaartje mag… Als ik nog postzegels heb tenminste. Want die krengen koop je per 20, dus met 21 kaarten ben je de sjaak.

Dan moet je dus kaartjes persoonlijk door de brievenbus doen, liefst onopgemerkt. Want hoe ongemakkelijk is het als je je vrienden op de bank ziet zitten, jij alleen even dat kaartje door de bus doet, uit beleefdheid toch maar even zwaait en weer weggaat? ‘Kom dan even binnen’ hoor je je vrienden denken vanaf de bank. Maar als je dat kaartje in hun handen drukt had je eigenlijk geen kaartje hoeven schrijven toch? Dan kun je iemand ook persoonlijk een fijne kerst wensen. Prettig om me niet bezig te houden met wat ik erin moet schrijven. ‘En een pootje van Zaznoba’ en dan zo’n kattenpootje erbij tekenen? Moet er bij iedereen een persoonlijke boodschap bij? Kom ik weg met ‘Aju paraplu, Niels & Marissa’? Kortom, wat een toestand…

…Had ik het dit jaar ook maar gewoon weer gedaan. Want die toestand is niet half zo lastig als het schuldgevoel dat me bij ieder ontvangen kaartje bekroop. Zal ik niet toch…? Maar ik heb het niet gedaan. En nu is de kerst voorbij. Dus ben ik definitief te laat. Dit kan ik niet meer goedmaken.

Maar weet je wat? Ik heb een paar kaartjes gekregen. En die mensen hebben mij geen kaartje gestuurd omdat ze een kaartje van mij hebben ontvangen. Deze mensen hebben mij een kaartje gestuurd omdat ze echt aan me hebben gedacht. En dat vind ik waardevol. Want dat is geloof ik waar kerst echt om gaat. Dank jullie wel. Jullie zijn lief!

Sprookje Sint. (papa’s en mama’s: Niet voor kindjes!)

7 december 2013.
De pepernoten en marsepein liggen weer voor 50% in de winkel, papierbakken liggen vol pakjespapier en ik zie plaatjes van kerstbomen op Facebook. Dit kan maar één ding betekenen: Hij is weer het land uit, de man met rode mijter en lange witte baard, oftewel Kees uit Flodder.
Sinds vorig jaar hebben we namelijk een nieuwe Sinterklaas. En die doet erg z’n best.

Voor de kids doet hij het vast prima hoor. Bovendien ‘brengt’ deze man de cadeautjes dus het zal hen verder worst wezen, maar ik zie geen Sinterklaas. Ik zie Kees uit Flodder die een zware stem opzet. Wat mij betreft komt Johnny ieder moment de bocht om in z’n roze auto, of zit Tatjana straks op schoot.

Tot vorig jaar had ik intens respect voor Sinterklaas. Zag ik een tv-programma met Sinterklaas dan moest ik kijken, al was het Sesamstraat. Mijn Sinterklaas was ook eigenlijk geen Sinterklaas, maar een Sint Nicolaas. Zo’n man waarvan je spontaan stil wordt als ie begint met praten. Zo’n man die je met 3 woorden compleet met je mond vol tanden en licht blozend in je hemdje zet. Maar je kunt het van hem hebben, want het is Sint Nicolaas. En daar heb je respect voor. Mijn Sinterklaas kreeg Coen en Sander stil. Mijn Sinterklaas laat Paul de Leeuw stamelen. Mijn Sinterklaas had op iedere lastige vraag van welke kritische interviewer dan ook een gevat antwoord. Zo vroeg Sander Lantinga iets in de trant waarom de Sint ieder jaar wel met de stoomboot aankomt, maar nooit weer vertrekt. Waarop het antwoord was; ‘Vóór 5 december ben ik overal en nergens en na 5 december ben ik vooral nergens.’ Nou. Daar zit je dan. Daar kun je toch niets meer tegenin brengen. Coen en Sander waren weer even 6 jaar oud en ik met hen.

Afgelopen week vroeg ik me af hoe die man ook al weer heet. Bram van Vucht, Bram van der Vught of Bram van der Vlugt? Ik weet het eigenlijk niet precies. Natuurlijk zou ik het voor de correctheid van deze blog kunnen googelen. Maar ik durf niet. Stel je voor dat ik een foto zie van Bram zoals hij er na 5 december uitziet. Dan ligt in één keer mijn jeugdsprookje aan diggelen.

Misschien is het ook niet helemaal eerlijk van me. Bram van der Vrucht/ van Vlught / van Vugt heeft ongeveer 43 jaar dat rode pak aangehad (Geen idee hoe lang, maar dat kan ik dus ook niet googelen). Misschien was hij de eerste 10 jaar ook niet zo verschrikkelijk goed, maar dat heb ik niet meegekregen. Misschien moet Kees uit Flodder gewoon een beetje inkomen en hopelijk maakt hij Sinterklaas voor de huidige kleine smurfen net zo legendarisch als voor mij. Hopelijk krijgt hij daar de kans voor in deze tijden van Pieten-discussie.

Ook ik ben er op een bepaalde leeftijd achter gekomen dat mijn ouders eigenlijk de taken van de Goedheiligman waarnamen. Maar ik blijf graag in sprookjes geloven. Dus ik geloof dus nog steeds in Sinterklaas, of nee in Sint Nicolaas. In mijn Sint Nicolaas. Zo lang Bram maar in dat pak zit.

Mijn Sint Nicolaas.

Mijn Sint Nicolaas.

Fundaën.

5 november 2013.
Na de Vreselijk Enge Stap van het officieel samenwonen, en de Verschrikkelijk Angstaanjagende Sprong van het openen van een gezamenlijke rekening, is de volgende Ontzettend Beangstigende Run ingezet: We zijn op huizenjacht.

Want wie immers starter is en nu geen huis koopt is een dief van zijn eigen portemonnee, volgens de Telegraaf en andere SBS6-achtige stemming makende media. En, hamster als ik ben, wil ik van alles zijn, maar geen dief van mijn eigen portemonnee. Mijn bindingsangst is als sneeuw voor de zon verdwenen, blijkbaar was portemonnee het sleutelwoord. Wij mòeten een huis. En wel nu.

Gelukkig wordt mijn bindingsangst ook wel een beetje gevoed, want wie dacht dat de périphérique bij Lyon, of een Ikea-ladekastje een relatietest was, die heeft het mis. Nee de huizenjacht, dat is pas funest voor een relatie. Fundaën is in huize Harmsen-Larooij het meest gebruikte werkwoord geworden en daar vullen we dan ook hele avonden mee. Want als je eenmaal www.funda.nl intoetst, bam, dan is je avond voorbij. Ik pleit ervoor dat de Dikke van Dale dit werkwoord het komende jaar opneemt en er een waarschuwing bij plaatst: Pas op, kan fatale gevolgen hebben voor de relatie.
Waar onze gesprekken vroeger gingen over de meest uiteenlopende onderwerpen, verloopt ieder gesprek nu via een beeldscherm en bevat de woorden vraagprijs, CV-ketel, dakbedekking en speelse ruimte. En als een makelaar iets een speelse ruimte noemt, dan bedoelt ie dus gewoon ‘onhandig ingedeeld’, oftewel een slaapkamer waar je net geen bed in kwijt kunt.

‘Ach schat, als jij er maar woont en de kat gaat mee, dan voel ik me er wel thuis hoor!’ Maar toch blijken wij een geheel verschillende opvatting te hebben over een volgend thuis. Waar ik vooral op zoek ben naar ruimte, niet al te veel klussen en geen achteruitgang in levensstandaard, wordt Niels helemaal wild van een woning die mooi modern is afgewerkt. Dat die woning dan ook maar anderhalve slaapkamer bevat, betaald parkeren voor de deur en totaal geen bergruimte heeft, lijkt dan van ondergeschikt belang. ‘Maar schat, dan kan ik koken en tv-kijken tegelijk!’, en aangezien ik een hekel heb aan alles waar een pan bij komt kijken, was ik best even gevoelig voor dat argument.

Gisteravond was ik bang dat onze relatie deze test niet zou doorstaan. Ik vertelde dat ik die iets te kleine woning met iets te weinig bergruimte, iets te weinig zon in de tuin en iets te hoge parkeerkosten toch iets te veel concessies vond. Niels was verslagen en zat enige minuten roerloos op de bank. Toen pakte hij zijn computer om te gaan Fundaën. Hij zou een nog beter huis voor ons vinden. Maar helaas, geen enkel huis kon tippen aan de keuken van waaruit je tijdens het koken Two & a Half Men kon kijken. ‘We hebben toch geen haast?’, probeerde ik nog. Maar het leek wel alsof ik een klein kind zijn troetel had afgepakt.

Het probleem is; je kunt nog zo praktisch naar een huis kijken, je koopt een huis toch op gevoel. En dat begint al achter de computer. Als ik een huis als eerste aandraag, wordt het toch een beetje mijn kindje (of katje). En dat verdedig je met hand en tand. Uiteindelijk plan je een bezichtiging. Sommige makelaars schijnen maar niet te begrijpen dat hun klanten ook een baan hebben (anders konden we geen huis kopen, flapdrol!), dus verras ik ze steeds weer met mijn verzoek tot een bezichtiging buiten kantooruren. Dan is daar het moment: Alle agenda’s zijn op elkaar afgestemd, de makelaar heeft een gaatje gevonden, en je staat voor de deur van misschien wel je toekomstige thuis. En binnen 3 seconden weet je het. En 9 van de 10 keer is het dat niet. Maar uit beleefdheid bekijk je toch dat hele huis, en heeft zo’n huis ineens best veel kamers.

Maar ach, hoe meer huizen we bekijken, hoe beter we weten wat we belangrijk vinden. Ik heb inmiddels weer een kindje (of katje) gevonden waar ook Niels over te spreken is. Het heeft dan wel geen keuken met zicht op de tv, maar wel een open haard. Ook leuk. En voor het eerst hopen we allebei dat dit huis bij de bezichtiging blijkt te zijn wat het lijkt te zijn.

Dus… Fingers crossed! Er is echter één probleem. Als dit ons nieuwe thuis blijkt te zijn, wat moeten we dan in hemelsnaam doen met onze tijd?

Aangeschoten wild.

27 oktober 2013.
Waarschuwing: Deze blog gaat niet over Zwarte Piet. Mocht je ontwenningsverschijnselen krijgen, surf dan even door, want waarschijnlijk gaat het volgende bericht daar gelukkig wel weer over.

Laat me je meevoeren naar de avond van donderdag 12 september 2013. Gevoelens van diepgewortelde schaamte, gecombineerd met gepaste trots maken zich van mij meester als ik terugdenk aan die datum. Die diepgewortelde schaamte besluit ik bij deze overboord te gooien en met gepaste trots maak ik het nu dan maar wereldkundig.

Wie mij goed kent of deze blogs leest weet dat ik best een dingetje heb met controle. Dat ik waarschijnlijk daarom in de 29 lentes en winters dat ik op deze aardbol rondhuppel best eens een wijntje drink, maar meestal de helft laat staan. En dat ik dus nog nooit ‘toeter’, ‘in de olie’, of ‘beneveld’ ben geweest. Ervaringen over katers of het omhelzen van de toiletpot zijn mij (gelukkig nog steeds!) vreemd. Net als vage herinneringen van dansen op tafels of het zeggen van rare dingen. Ok, die laatsten zijn mij niet vreemd, ik kan namelijk nuchter ook best lollig zijn.

Maargoed, het was donderdagavond, de eerste dag van mijn vakantie en vriendinnetje D. vroeg of we als vanouds gezellig een drankje gingen doen in onze favoriete kroeg. Dat leek me een puik plan! Niels zou ons weer ophalen, dus na een enthousiast onthaal in De Knijp (met dank aan JvG) stond de eerste droge witte wijn voor m’n neus voordat ik het doorhad. Het was alleen een beetje stiller dan normaal, dus na een portie kaasstengels en niet al te lange tijd dropen we af.

En toen gebeurde het. Vechtend met onze hakken en de keitjes in de Kerksteeg stelde vriendinnetje D. voor: ‘Hee, zullen we anders nog een drankje doen in de Flashback?’. ‘Echt?’, dacht ik. ‘Nee zeg, dat stadium zijn we toch wel een beetje gepasseerd?’, dacht ik. Dus sprak ik de legendarische woorden: ‘Nou, eentje dan.’ En iedereen die die woorden ooit uit heeft gesproken weet dat het dan al een verloren zaak is. Dus met het naïeve idee ‘Wij zijn toch zo weer buiten’, liep ik achter D. aan naar binnen. Om samen tot de conclusie te komen dat we dat stadium inderdaad best wel gepasseerd waren.

In het uur daarna werd het echter drukker en de mensen om ons heen grappiger (Wat doet een jarig meisje in lange witte jurk op blote voeten daar nou? Ik bedoel maar.). Vriendelijke blonde bardame L. was er, dus daar bestellen we graag een drankje. Kortom, D. voerde me Malibu-cola en dat smaakte bijzonder goed, dus ik besloot er maar eens van te genieten. Onder de vertrouwde vleugels van vriendinnetje D. heb ik dan eindelijk gedurfd om de teugels iets te laten vieren en misschien een Malibu-cola en een Appeltaartje extra te consumeren.

En wat een lol heb ik gehad! Ik kon ineens echt heel goed dansen (maar echt héél goed), en ondanks dat mijn hoofd eruitzag als een tomaat vond ik na een blik in de spiegel en het wegvegen van de mascara van mijn wang, dat ik er nog best mee door kon. D. en ik hadden de chronische slappe lach en werden door het gemiddelde publiek vast gezien als twee moekes die ook eens een avondje vrij hadden van het aanrecht en de wasmachine. En eerlijk is eerlijk, zo gedroegen we ons eigenlijk ook. Toen we zelfs een blauwtje hadden uitgedeeld en dus onze marktwaarde ook weer even was bevestigd, kon de avond helemaal niet meer stuk.

Voor wie nu denkt: ‘Jottum, ik ga Marissa ook Malibu-cola voeren!’, sorry ik maak er geen hobby van. Maar het was best eens prettig om te ervaren hoe dat is. Ik kan het niet eens dronken noemen, maar lollig was het wel.

Enfin, toen Niels me op kwam halen fluisterde ik… nouja, riep ik met mijn wijsvinger tegen mijn mond: ‘Ssssssst Niels, ik ben geloof ik een beetje dronken!’ Daarna stapte ik in de veilige auto die ons naar ons fijne huisje en warme bedje bracht. Wat heerlijk om na zo’n doldwaze avond weer veilig thuis te komen. Wat fijn dat ik mensen als vriendinnetje D. en Niels heb waarop ik kan vertrouwen. Want uiteindelijk is dat toch waar het leven om draait.
En mijn slaapkamer. Die draait ook een beetje.