Tranen gelachen.

21 mei 2018

Met een grote glimlach stap ik in de auto. Half april, het voorjaarszonnetje schijnt. Ik zet mijn zonnebril op en draai de sleutel.
Vriend J. en ik kennen elkaar vanaf de Hotelschool en hebben sindsdien altijd contact gehouden. Zo eens in het half jaar gaan we samen lunchen bij ons Utrechtse stamcafé. En steeds als ik in de auto stap naar onze lunch, heb ik een beetje het gevoel dat ik op vakantie ga.

De navigatie stel ik in op het adres van de Douwe Egberts fabriek vlakbij zijn huis. Na al die jaren weet ik namelijk nog steeds zijn adres niet, maar alleen waar zijn huis woont. Eerst kwam ik altijd een half uur te laat omdat ik verkeerd reed, maar tegenwoordig zet ik Google Maps aan. Nu kom ik nog steeds te laat, maar dan gewoon omdat ik niet op tijd vertrek. Vriend J. weet dat. Sterker nog, hij rekent erop.

Eenmaal op de snelweg grabbel ik in mijn handschoenenkastje op zoek naar een CD. Ik tref de liveopname van The Corrs. Hoe kon het anders. De muziek voert me terug naar onze epische trip naar de Franse bruiloft van ons oud-klasgenootje. Het is inmiddels een jaar of 8 geleden, maar dat weekend vergeet ik nooit. Een traditionele marriage, à la campagne tussen de ezeltjes, in een Frans dorpshuis. Het was een hele happening in dit anders zo rustige village. J. en ik waren vreemde eenden in de bijt, en tegelijk pasten we er precies tussen. Hoe later op de avond, hoe beter het Frans ging. Geheel volgens traditie arriveerden we ook hier te laat. Met als resultaat dat we het bruidspaar, direct na het Oui-woord, als aller-eersten mochten feliciteren. Tot groot ongenoegen van de overige gasten. Tot grotere hilariteit van ons.

Hij ziet me aan komen sputteren in mijn Panda met Turbo. De hedendaagse Dandy twijfelt tussen een polo of trui. Het wordt polo èn trui. We vertrekken lopend naar ons eettentje. We gaan altijd lopend. Verrassend genoeg zijn de weergoden ons vaak gunstig gezind. Met een slinkse move weten we een plaatsje in de soleil te bemachtigen. Windstil, onder de luifel. Pas als de ober er al 4 keer om heeft gevraagd en de wanhoop nabij is, kijken we voor de vorm op de kaart waarna we toch altijd hetzelfde bestellen. Maar… Mon Dieu! Ze hebben een nieuw menuconcept. Je zou denken dat ons Hotelschool-hart hiervan sneller zou kloppen, maar onze hang naar oud en vertrouwd wint. Na lang mutsen (Wat was er mis met die oude kaart??) toch maar iets nieuws gekozen. We praten, we lachen, doen een wijntje en nog één, en zien de zon langzaam om ons heen draaien. De oude geintjes, maar ook serieuze onderwerpen wisselen elkaar af. Het kan allemaal, het mag allemaal. We hebben een heel verschillende levensloop, maar weten elkaar steeds weer te vinden. Dan praten we en luisteren we. Dan vertellen we elkaar de waarheid, lachen het weg, beuren elkaar op, stellen kritische vragen en kunnen dat van elkaar hebben.

J. krijgt de echte Marissa te zien. Omdat hij de moeite ervoor neemt. Omdat hij zich niet laat afschrikken door die grote waffel, of zich om de tuin laat leiden door mijn babbeltjes. Omdat we niets aan elkaar hoeven te bewijzen. Omdat hij naar me kijkt en me ziet. Omdat hij luistert en me hoort. Omdat we houden van spot en zelfspot. Een rendez-vous met vriend J. betekent in de spiegel kijken. En ik heb zo’n vermoeden dat dat een beetje wederzijds is. Na een hele middag grappen, grollen en bekennen is de conclusie duidelijk. De volgende keer toch maar weer croquettes op brood.

Met nog vochtige ogen van de slappe lach nemen we afscheid. ‘Moeten we eigenlijk vaker doen!’ Misschien wel, maar misschien ook wel niet. Het komt zoals het komt en dat is juist het mooie. Ik voel me kilo’s lichter als ik weer achter het stuur kruip. Er is ballast verdwenen waarvan ik niet eens wist dat ik die meedroeg.

Ik heb tranen gelachen, onnozel gedaan en ben ten slotte tevreden… weer à la maison gegaan.

Knipogen.

7 april 2018.

Sinds kort ben in gestart met lessen voor het motorrijbewijs. Ik dacht ´dat doen we wel even´.
Nou, dat valt nog vies tegen.

De eerste les zat ik breed grijnzend op de verlaagde zwarte Honda, kon het me niet snel genoeg gaan en had ik dat rijbewijs in gedachten praktisch gezien al in de pocket. De 2e les gingen we er dus maar meteen 3 uur tegenaan op een Yamaha. Voelde ik me op de lage Honda een hele dame, op de Yamaha kon ik net met m’n tenen bij de grond. Resultaat; 4 keer op m’n snufferd.
M’n 2 mede-cursisten hebben me van het asfalt geplukt en na 3 uur was ik een ijsblokje, had verkrampte handen en de rechterkant van mijn lichaam voelde beurs. Ik moest maar één ding en dat was van die motor af. En wel nu. Ik voelde tranen branden. Wat vond ik mezelf een ontzettende Josti.

Ondanks deze traumatische ervaring toch meteen een les ingepland voor de volgende dag. Een andere instructeur dit keer, maar gelukkig was mijn vertrouwde lage Honda weer terug. Met spierpijn hees ik mezelf weer op het paard. Wat denk je, bij de eerste keer stoppen lag ik weer op m’n gat. Gelukkig was er niemand in de buurt om de scheldkanonnade aan te horen, want chique klonk het niet. In plaats van troostende woorden of ‘Gaat het?’, hoorde ik in mijn oortje:
‘Ja, je stopt ook precies op een plek waar de weg naar rechts helt en die paar centimeter kun jij niet compenseren met die korte pootjes!’
Pardon? Even voelde ik me verongelijkt door de directe aanpak van instructeur O. En toen lachte ik mezelf uit. Tja kleine Harmsen, als jij wilt leren motorrijden is dit juist nuttige feedback. De rest van de les ben ik keurig overeind gebleven.

Daarna had ik een week om te malen tot de volgende les. Dat was niet best. De moraal zakte van ‘komt wel goed’ naar ‘Ik word niet groter en die motor niet kleiner…’. ‘Als ik niet eens normaal zo’n apparaat op de standaard krijg, hoe gaat dat dan als ik zelf een motor aanschaf?’
Met lood in de schoenen naar de volgende les. ‘ O., ik weet het niet. Ik twijfel of ik moet stoppen.’ Ik leg uit dat ik er nog steeds van droom om straks op een mooi bulderend glimmend apparaat de regionale dijkjes te bestormen, maar het idee heb dat motorrijden niet bedoeld is voor kleine vrouwtjes die niet belemmerd worden door enige motorische aanleg. ‘Zeg Maris, ben jij gewend dat dingen jou nogal makkelijk afgaan?’

Eehm, daar zou hij een punt kunnen hebben. ‘Kijk, je bent kleiner dan gemiddeld en een motor is gewoon best groot en zwaar. Dat betekent dat jij net even wat harder moet werken dan wanneer je een grote kerel zou zijn.’ Ja, dat was inmiddels wel duidelijk. ‘Maar als wij dachten dat je er geen gevoel voor zou hebben, dan hadden we je dat al lang gezegd hoor. Dat komt heus wel goed.’ Ja, dat kun jij nou wel zeggen, dacht ik, maar ik moet het nog wel even doen.
Plotseling viel het kwartje. ‘O., ik besef me dat dit een van de weinige situaties in m’n leven is waar ik me niet uit kan kletsen. Eén van de weinige situaties die ik niet kan compenseren met m´n grote waffel of blauwe ogen.’ Waarop instructeur O. zegt: ‘ Tja, die motor knipoogt echt niet terug, hoor!’

Nadat hij plechtig heeft beloofd dat ik op een lage motor kan blijven lessen en dat hij het echt zal zeggen als hij geen heil meer ziet in de relatie tussen de motor en mij, besloot ik om door te zetten. Ondertussen waren de 2 mede-cursisten ook gearriveerd.
‘Wat? Nee joh, je gaat toch niet stoppen? Die motor van vorige week was gewoon een beetje te hoog, maar verder ging het toch prima?’
‘Oh…’,
‘Nee, niet doen hoor. En als je valt, dan rapen we je gewoon weer op!’
‘Goh, bedankt!’

Kortom, nu is het een principekwestie. En kom niet aan mijn principes.
Ik ben vastberaden om dat papiertje in de wacht te slepen. Dan maar wat extra lessen, dan duurt het maar wat langer, maar ik laat me toch verdorie niet klein krijgen!

Zo motor, nu gaat het tussen jou en mij. Ik zal je bedwingen, let maar op. En het heeft echt geen zin om naar me te knipogen.

Hij past.

1 april 2018.

Mijn opa was nogal handig. Ik mag wel zeggen een begenadigd vakman op het gebied van allerhande timmerwerk. Uiterst secuur en nog creatief ook. Nu was mijn andere opa ook handig, want vroeger maakten ze nog echte mannen, alleen iets minder begenadigd. En misschien ook iets minder secuur.
Enfin, ik heb vaak gehoord dat mijn opa (de begenadigde) eigenhandig de IJtunnel heeft gegraven en gebouwd. Ik herinner me één keer dat we met opa en oma daadwerkelijk door de IJtunnel reden toen hij grapte: ‘Houd je vast, die tunnel kan elk moment instorten!’
Maar wees gerust, mijn opa heeft heus puik werk afgeleverd, die tunnel houdt het nog wel even.

Jammer genoeg zijn de vakkundige genen niet overgedragen op volgende generaties, met als gevolg dat de lokale ZZP’er aan onze familie een lucratieve business heeft. Er zijn potentiële koophuizen afgewezen omdat een deur naar de verkeerde kant openging, voor een tuinhekje wordt een hovenier ingeschakeld, en de trapleuning zit al jaren los omdat de pluggen losgewrikt zijn. Voor de meesten wellicht een fluitje van een cent, zo niet voor ons.
Wij Harmsens overwegen eerst of De Klus echt wel nodig is. Nu is ‘nodig’ hierin al een zeer ruim begrip, maar als er we echt niet onderuit kunnen, dan stellen we eerst nog zo lang mogelijk uit.
Zo hebben we zeker 5 jaar tegen een hanglamp aangekeken waarvan een dwarsbalkje al die tijd scheef heeft gezeten. Het was tenenkrommend, maar 5 jaar lang won onze onkunde het van ons autisme. En toen kocht mijn moeder een nieuwe lamp. Zonder dwarsbalkje. Kijk, zo lossen wij dat op. Of, ook een Harmsen-klassieker, een gaatje in de muur plamuren we niet dicht, nee, we vullen het op met een propje wc-papier. Da’s immers ook wit.

Nu wil mijn vent al enige tijd een nieuwe motor aanschaffen. (‘Hij moet veel groter en dikker zijn dan deze, want deze is veel te klein!’) Ik suste mijn gedachten met het feit dat deze motor al amper door de poort paste, laat staan een veel groter, dikker, luidruchtiger exemplaar. Bovendien zat de poort met 2 flinke betonnen palen vast in de grond. Ik achtte de kans dat we zouden verhuizen naar een huis met een brede poort dus groter dan de kans dat de huidige poort zou worden verbreed. Nee, die nieuwe motor zou wel loslopen.

‘Lief, ik ga zaterdagochtend een nieuwe poort maken.’
‘Huh? Maken? Je bedoelt dat je een nieuw poort laat zetten?’
‘Nee. Ik bedoel maken.’
‘Maken? Maar dan hebben we dus het hele weekend geen poort, ook niet als we zondag een nachtje weg gaan?’

Kortom, ik had er alle vertrouwen in.
Hij ging meteen hout halen. Ok hoor lief, dacht, ik, ga jij maar hout halen. Ik hoor het wel wanneer ik iemand moet bellen voor die poort. Maar hij zag het helemaal zitten, dus ik liet hem z’n gang gaan.

Zaterdagochtend 24 maart: Testosteron viert hoogtij in de tuin. ‘Operatie-nieuwe-poort-met-perspectief-op-nieuwe-motor’ brengt heel wat teweeg. Eindelijk kan al het via Vakantieveilingen ‘gewonnen’ gereedschap worden uitgeprobeerd (‘Zie je nou wel dat dat handig was, nu heb ik tenminste alles al in huis!’). Eén apparaat verloor het van een schroef en werd linea recta in de kliko geflikkerd. De rest blijkt van heuse topkwaliteit. Zweet parelt op allerlei plekken en een oerkreet klinkt op het moment dat de betonnen paal zich gewonnen geeft. Af en toe loop ik naar buiten en uit een aanmoedigend ‘Goed bezig!’, ‘Wil je wat drinken?’ of ‘Je bent al ver, zeg!’ maar verder blijf ik vooral uit de buurt, want ik loop toch maar in de weg. En er moet ook Gossip Girl gekeken worden.

En verdomd, aan het begin van de middag was er een spiksplinternieuwe nieuwe poort herrezen waar die ochtend nog een stuk flink verzakte schrootjes stond.
Een echte. Zo’n stevige, met zo’n schuine plank ertussen. 1.40m breed. Het past allemaal. Er zit zelfs een slot op. Zoveel vakmanschap heeft mijn familie na opa niet meer gekend. Mijn knappe vent heeft eigenhandig een poort in elkaar gezaagd, geschroefd, gemeten en gehangen. En hij heeft zelfs het oude slot hergebruikt, dus ook nog op de kleintjes gelet.
Handig hè, van die knapperd van mij! Ik wist dat ie het in zich had…

Vrijdagmiddag 30 maart: Heel toevallig had een motorzaak in de buurt nèt die ene grote, dikke, luidruchtige motor staan waar m’n lief naar op zoek was. En hij past precies door de poort. Toegegeven, ik ben zwaar onder de indruk van mijn knappe, klussende, motorrijdende lief.

Stoere timmerman, wat doet u nu?

Wolken.

30 september 2017.

Ik moest het even verwerken. Daar stond ik, als aan de grond genageld in de deuropening van onze slaapkamer. Ik had het al gezien toen ik de trap op liep. Manlief stond naast me, klaar om alle bedankjes en complimenten in ontvangst te nemen na zijn harde werk. Maar ik kon geen woord uitbrengen.

Waar ik vanochtend nog uit een warm zacht bescheiden bedje was gestapt, stond nu een enorm flatgebouw. Met hetzelfde dekbed erop. Dat dan wel. Alsof ik zo niet zou zien dat er plotseling een ander enorm bed in onze eens zo ruime slaapkamer stond. Alsof dat nieuwe bed zich had verstopt, gecamoufleerd, vermomd als mijn warme zachte oude bedje. Met mijn fijne vertrouwde kuil in het matras. Die kuil waar ik elke nacht zo lekker inrolde en dan zoet ging slapen.

Maar ik had hem heus door. Flatgebouw was trouwens nog te licht uitgedrukt. Het was gewoon een wolkenkrabber.
Met het zweet op z´n voorhoofd vroeg manlief of er misschien een bedankje vanaf kon en liet me toen maar even met rust. Wat had ik uitgekeken naar ons nieuwe bed. Lekker groot, stevig en geen gemiep meer naast me over dat hij met zijn voeten tegen het achterschot ligt. En natuurlijk het verstelbare hoofd- en voeteneind. Ik wist dat het groter en hoger was dan mijn oude bedje. Maar in de winkel had ik nooit kunnen vermoeden dat het WTC herbouwd zou worden op Gorkum-Oost.

M’n lief kwam terug en ik herpakte mezelf. ‘Dankjewel lieverd, voor al je harde werk, ik moet er gewoon even aan wennen. Alles lijkt ineens zo klein… De slaapkamer, mijn frutselkastje, de spiegel, ikzelf…’, ‘Ja, en de TV ook hè?’ grijnsde hij buiten mijn gezichtsveld, ‘Ja, die ook…’
Daar was ik dus mooi ingestonken. Manlief probeert namelijk al enige tijd een grotere TV in de slaapkamer te regelen. Hoewel ik daar niet persé op tegen was, vond ik het ook niet erg nodig.

Veni, vidi, vici. Manlief kwam, zag en overwon Marktplaats. Binnen een half uur liep hij mij iets te snel met de nieuwe aanwinst naar boven. Die is dus groter dan afgesproken, wist ik meteen. En dus stond er naast het Empire State Building, ook ineens een scherm voor m’n neus waar de plaatselijke bioscoop zich niet voor zou schamen. Aangesloten en wel.
Ik ging naast hem liggen onder de warme deken. Pakte de afstandsbediening en zoemde het hoofdeind omhoog. Diep verzonken in de kussens rolde ik me op tegen m’n lief.

Misschien heb ik 10 minuten van White Collar meegekregen.
In de wolken…

Nieuwe liefde.

5 november 2016

Soms komen er dingen op je pad, maar zijn de plaats en het moment verkeerd. Iets te snel, of juist veel te laat. Maar soms moeten dingen gewoon zijn zoals ze zijn. Want sommige tekenen moet je niet negeren. En dan kan het zo maar zijn dat je grote liefde stiekem al jaren voor je neus zit.
Plotseling vallen alle puzzelstukjes in elkaar. Het klopt. Er volgen steelse blikken, liefdevolle knuffels, intense dates. Je gaat in elkaar op en vergeet de wereld om je heen. Oh heerlijke, magische, ongedwongen liefde.

In die romantische roes vertrokken we twee weken geleden naar Milaan, m´n lief en ik. Italiaanse sferen, mooie winkels, prachtige mode, lekker eten, fijne ijsjes, historische architectuur en… San Siro. Voor zij die ook geen kaas hebben gegeten van voetbal, da´s één van Europa’s grootste stadions.
Opgroeiend met een broer en vader die geen wedstrijd kunnen missen, kwam mijn aversie tegen voetbal al vroeg tot bloei. Moeders leerde me dat er op elk moment van de dag wel ergens voetbal op televisie is en dat je je maar naar dat lot moet schikken. Nee, dat zou mij nooit gebeuren, mijmerde ik vaak. Gekscherend zei broerlief een poos geleden dat hij het op prijs zou stellen als ik nu eens iemand zou uitzoeken die wel van voetbal houdt. Ik lachte hem vriendelijk toe en dacht er het mijne van. Maar… hij lacht het laatst. Ik heb een voetbalman getroffen.

En laat er nu toevallig een UEFA Cup wedstrijd zijn in die twee hele dagen dat we in de Italiaanse hemel zijn. Wat een geluk! Ach joh, dacht ik, hoe groot is de kans dat je op de dag zelf nog een kaartje kan scoren? Nou, dat bleek fluitje van een cent. Viel dat even tegen. Maar goed, we zijn er nu toch, dus ik zette mijn twijfels opzij en daar gingen we. Op naar 22 overbetaalde mannen die achter een bal aan rennen.

In de metro lieten de fanatiekelingen flink van zich horen en buiten het stadion waren de scanderende supporters al goed hoorbaar. Ik vond het indrukwekkend en intimiderend tegelijk. Maar ik was met m’n lief en hij drukte me dicht tegen zich aan, dus wat kon mij gebeuren?
We betraden de tribune en werden verwelkomd door een zee van licht, fel groen gras en duizenden zingende mannen. ‘Eehm, ken ik hier iemand van?’ En in de verte zag ik het stipje dat Frank de Boer moest zijn. Misschien had ik m’n lenzen in moeten doen.
‘Ja da’s goed, doe mij ook maar een biertje.’, als ik dan toch buiten m’n comfort zone treed, dan ook maar all te way, vond ik. Na het atten van een halve duurbetaalde plastic beker werd me duidelijk dat ik nog steeds geen bierliefhebber ben. En dat ik er ook eigenlijk niet tegen kan.

Toen gebeurde er iets wonderlijks. Na een kwartier speeltijd kwam ik een beetje in de wedstrijd en vond ik het verdomd spannend. Ik noemde Southampton gemakshalve gewoon Engeland, maar ik snapte in elk geval in welk netje de bal moest. De ontlading was groot toen Inter scoorde. Ik wist niet eens dat ik voor Inter was, maar als je in een donkerblauw gekleurd vak zit en die bal gaat erin, dan juich je mee alsof je leven ervan af hangt. Waarop ik vol zelfvertrouwen zei: ‘Ik wist het wel schat, ik had alle vertrouwen in m’n kluppie.’ Met een grote glimlach op ons gezicht keerden we terug. Dit hadden we toch maar mooi samen meegemaakt.

De dag na terugkomst speelde Ajax-Feyenoord. Dus nu heb ik Fox Sports Eredivisie Live en bedenk of ik voor Ajax moet zijn (zoals broer en pa) of voor Feyenoord (zoals manlief).
Maar eigenlijk maakt het niet uit. Ik geniet. Op de bank, van mijn lief en van het voetbal.
Oh heerlijke, nieuwe liefde.

Verder.

6 oktober 2016.

Ik heb naar deze dag uitgekeken. Een periode van meer dan vijf jaar zal worden afgesloten. Na veel geregel en geduld maar ook wederzijds begrip, ben ik er helemaal klaar voor. Nee, ik ben er aan toe. Vanaf vandaag zal ik een echte ´independant woman´ zijn. Volledig verantwoordelijk voor mijn eigen huis en niets en niemand om verantwoording aan af te leggen. Tijd om afscheid te nemen van wat is geweest, en te omarmen wat komen gaat.

Vanochtend stond ik op met Queen´s ´It´s a beautiful day´ in mijn hoofd. Ik was vroeg wakker en voelde me net die zeehond uit de reclame. Een zee aan kansen en mogelijkheden strekt zich voor me uit. Enkele minuten twijfelen voor mijn kast leverde een donkerpaarse kokerrok met hoge hakken op. Ingetogen maar vrouwelijk. Zelfverzekerd. Boven mijn dagelijkse bakje yoghurt mijmer ik over het gevoel dat ik zal hebben als ik later die dag mijn handtekening zet. Hoe opgelucht ik me zal voelen.

Maar ik krijg geen hap door mijn keel. Gedurende de dag zie ik er steeds meer tegenop. De tijd vliegt en kruipt tegelijk. Ik ben er nooit aan begonnen om het te laten eindigen, maar het was noodzakelijk. En hoe zeer ik achter mijn keuze sta, vandaag is niet gemakkelijk.

Kwart voor vier. Terwijl ik in de auto stap check ik nogmaals of ik de post en het squashracket wel heb meegenomen. Tien minuten later zit ik samen met hem aan tafel in de wachtruimte. Met hem waar ik zo lang lief en leed mee heb gedeeld. Slechts twee jaar geleden zaten we hier ook, toen met een heel ander doel. Het ligt als een steen op mijn maag. We wisselen beleefdheden uit en bespreken onze plannen. Dat hij een nieuwe start maakt met een andere baan in een andere stad. Dat het goed gaat op mijn werk en ik bijna vakantie heb. Ik ben blij en trots dat hij zijn hart volgt. En gelukkig dat we beiden ons leven oppakken en verder gaan.

We doen luchtig, maar voelen het drukkende ongemak. Flauwe grapjes passeren de revue, maar echt gelachen wordt er niet. Na een half uur is het in kannen en kruiken. Na een ferme handdruk lopen we met onze enveloppen onder de arm gezamenlijk naar buiten.
´Alsjeblieft, je squashracket. De post zit in de hoes. En even over de ANWB…´ Ik hoor mezelf verder praten over futiliteiten, alsof we niet zojuist al die jaren hebben afgedaan met een lullige handtekening in een tenenkrommende situatie, met een notaris die ik nota bene ken uit de kroeg. Waarvan ik overigens blij ben dat ze er was, want ze was duidelijk en voelde de situatie feilloos aan.
Hij wil me een knuffel geven, maar ik geef drie zoenen. ‘Dag schat’, zegt hij, en gaan ieder ons eigen weg. Dat was het dan.

Terug in de auto vecht ik tegen mijn tranen, maar verlies. Bij binnenkomst trekt collegaatje L. mij en mijn betraande hoofd het archief in en geeft me een dikke knuffel. Wat fijn, en zo nodig. Ik laat mijn tranen even de vrije loop maar herpak mezelf snel. Al was het zwaar, er is zojuist is goeds gebeurd. Ik droog mijn tranen en loop de trap op naar mijn computer. Met iedere trede voel ik me sterker.

Vandaag is de eerste dag van de rest van mijn leven.
Ik kijk mijn toekomst recht in de ogen en zie een leven lang lol, liefde, vertrouwen en geluk.

Liefde.

2 juli 2016
Ik begon zo sterk aan het telefoongesprek, maar gaandeweg werd ik steeds verdrietiger. Broerlief hoorde het gebeuren. Het is ook niet niks, en nog zo vers. Hoewel op een verjaardag, kwamen broer- en schoonzuslief er direct aan. Over een uurtje bij hen, met frietjes. Want frietjes doen het natuurlijk altijd goed.
‘Issa!’hoorde ik hem roepen toen ik nog in de gang stond. Kleine Spruit zat al aan tafel. Toen ik de kamer binnenliep kraaide hij van plezier, met z’n vieze handjes in de lucht. Volgens schoonzuslief riep hij in de auto op de terugweg ook steeds mijn naam, althans het stukje wat hij al zeggen kan. Huh? Dus hij weet wie ik ben, en wordt daar nog enthousiast van ook? Die zag ik even niet aankomen.

Tijdens het eten kwamen de gesprekken op gang. Hoe het kwam, hoe het zat en hoe nu verder. Het ene moment sterk en vastberaden, het andere intens verdrietig en verslagen. Kleine Spruit kleide rustig verder in z’n frietjes met appelmoes en af en toe belandde er zelfs iets in z’n mond. Toen viel het stil en biggelden de tranen over m’n wangen. Kleine Spruit keek me met een schuin hoofdje schalks aan. Dit was zijn charmante pose waarmee hij doorgaans iedereen om z’n plakvingertje windt. Vandaag werkt het echter niet. Tante Issa is te verdrietig. Hij leek even van z’n stuk en nam enkele seconden om dit te verwerken. Het hoofdje ging weer schuin, maar nu niet met de schalkse blik. Het leek bijna alsof hij het begreep. ‘Ma-issa?’ kwam er voorzichtig uit. Ik leunde met mijn gezicht naar hem en kreeg een dikke kus. Een dikke kus met appelmoes en kwijl. Maar het kon me niets schelen. Even later wrong hij zich uit z’n stoel kwam naast me staan. Z’n handjes op m’n been. Kleine Spruit was me aan het troosten.
Gatverdarrie, ben ik verdrietig, gaat ie ineens superschattig zitten doen. Wat snapt die kleine broekenpoeperd nou van grote-mensen-problemen? Bijdehandje.

Er moest een schone broek komen dus schoonzuslief en Kleine Spruit trokken zich even terug. Ondertussen neem ik plaats op de bank en trekt m’n grote broer me dicht tegen zich aan. Ik heb nog nooit in de armen van m’n grote broer gelegen, maar op dit moment was het precies wat ik nodig had. Ik moet helemaal op nieuw beginnen. En ik geloof dat dit is waar ik begin.
Boven hoor ik Kleine Spruit nog steeds enthousiast mijn naam roepen terwijl code bruin wordt opgelost. En ik vraag me af waar ik zoveel liefde in godsnaam aan heb verdiend.
Waar ik een deel van mijn hart heb verloren, hebben zij weer een stukje opgevuld.

Dankjewel broerlief, schoonzuslief, maar zeker niet te vergeten Kleine Spruit.
Ik kom er wel. Of ik ben er al. Eén van de twee.

2 Minuten.

4 mei, 2016
Moet zo de afwas nog afmaken. Gatsie, straks is het water natuurlijk koud. Wanneer zou de buurman de vaatwasser ook alweer komen repareren? Shit, dat kan ik nu even niet vragen. Oh, da’s goed getimed met die trompet en de kerkklokken. Zal ik zo eerst die hoge hakken maar eens uitdoen, of eerst de afwas afmaken? Doe ik daarna m’n bankhangoutfit aan, of m’n pyjama? Ik denk m’n bankhangoutfit. Wat goed dat ik nog twee van die bankhangshirtjes heb gekocht. Ze zitten zo lekker. En ik voel me er mooi in. Wat fijn dat ik dat tegenwoordig over mezelf durf te denken. Wat ga ik morgen doen? Misschien toch maar even m’n mail checken. Als de zon schijnt ga ik de hele dag in de tuin liggen. Krijg ik wel weer meer vlekjes in m’n gezicht. Ach, die vlekjes staan best eigenwijs. Mijn haar valt er een beetje overheen. Kan er altijd nog make-up op doen. Ik houd niet van een laag make-up. Dat zie je toch altijd. En volgens mij geeft het af. Daar kan ik helemaal niet mee omgaan. En ik heb altijd kriebeltjes, dan is het er zo weer af. Dan maar een vlekje meer of minder. Alleen die rimpeltjes van tegenwoordig ben ik minder blij mee. Gelukkig heb ik de hele antirimpellijn van Nivea ingeslagen. Als ik blijf smeren, komt het goed. Eigenlijk geloof ik niet in die geldklopperij. Maar botox is ook maar niets. Ik haat naalden. Ik wil er niet ouder uit gaan zien. Dat alles naar het zuiden vertrekt. Na je 30e begint de aftakeling. Sommige mensen geloven me niet als ik m’n leeftijd noem. Ik vind het zelf ook nogal ongelofelijk. Wanneer is dat gebeurd? Ik knipperde met m’n ogen en ineens was ik 32. Hopelijk heb ik een lange houdbaarheidsdatum. Ik wil er later uitzien als een cougar. MILF vind ik een compliment. De M staat dan voor Marissa. Vind ik m’n uiterlijk te belangrijk? Vast, maar ik ga het ook niet allemaal maar laten waaien. Lijkt me voor m’n omgeving ook beter. Mag ik best moeite voor doen. Maxima, je kijkt chagrijnig. Eigenlijk kijk je zo triest dat het niet meer oprecht lijkt. Alsof je je gezicht met moeite in de plooi houdt. Alsof je voor de spiegel je trieste gezicht hebt geoefend. Zou je zelf snappen waarom je zo kijkt? Is toch gek dat je als Koningin van een voor jou eens wildvreemd land chagrijnig staat te kijken vanwege een geschiedenis waar je tot een aantal jaar geleden nog geen weet van had. En op zich zijn je vaders handen ook niet helemaal schoon. Maar je haalt die Houten Klaas aardig op, dus het land vergeeft je. Leuk zeg, veel mensen dragen dat felle blauw. Zou dat nog steeds komen door die jurk die ze toen droeg? Ik droeg die kleur al eerder. Was een mooie jurk. Vanuit welke hoek wordt dit nu gefilmd? Ah, de Bijenkorf. Veel Aziaten de vorige keer. En geen lingerie in mijn maat. Willem-Alexander kan ook wel een zonnebankje gebruiken. Als hij geen Koning was zou hij nu ook gewoon met een vadsige vrouw naast hem op de bank zitten. Biertje in de ene hand, afstandsbediening in de andere. In korte broek en witte sokken in z’n slippers. Zou er dit jaar weer een damschreeuwer zijn? Op zich heeft die man ook alleen maar z’n mond opengetrokken. Als ik gestraft zou worden voor elke keer dat ik m’n mond open trek… Ik snap die man wel. Nee, volgens mij houdt iedereen keuring z’n mond dit jaar. Ik ga het ook volhouden, denk ik. Hoever zitten we nu? Ik vind dat ze hierbij ook wel een aftelklokje in beeld mogen zetten. Of van die bolletjes aan de rand van het beeld, net als bij een stoplicht voor voetgangers. Of een zandlopertje. Met Oud & Nieuw tellen we ook af. Alleen geen vuurwerk maar, denk ik. Dat zou niet gepast zijn. Oh bleh, over een paar seconden moet ik weer aan de afwas. Ik houd m’n hakken nog maar even aan. Dan is de beloning groter als ik daarna m’n bankhangoutfit aantrek. Wanneer moest ik ook alweer naar de kapper? Volgens mij volgend weekend.

Het Wilhelmus. Zo zeg, toch maar weer 2 minuten respect getoond.
Goede traditie vind ik dat, die moeten we in ere houden.

Paaspoep

30 maart 2016
Onze familie kent weinig tradities. Maar de tradities die we hebben zijn hardnekkig. Zo is daar vrijdag-frietjesdag en natuurlijk de jaarlijkse Paasbrunch. ‘Hoe laat zullen we afspreken?’ vroeg moeders. ‘Uurtje of 11?’, dat leek me een mooie tijd voor een brunch. Dat was akkoord. Een dag later appte ze of we ook om 10 kunnen beginnen in verband Kleine Spruit z’n middagslaapje.

Pardon? Kleine Spruit z’n slaapje? Wat denk je van mijn slaapje? Brunch is een samentrekking van ‘breakfast’ en ‘lunch’. Dat is om aan te geven dat het plaatsvindt tùssen ontbijt en lunch. Ertussen. Dus niet op ontbijttijd. En niet op lunchtijd. Maar in die tijd ertussen.
10 uur is geen Paasbrunch. 10 uur is een Paasontbijt. En ik was uitgenodigd voor een brunch. Dus ik typte vinnig een appje waarin ik dat fijntjes duidelijk zou maken. Dat 10 uur geen brunchtijd is en waarom men geen rekening houdt met mijn slaapje. Weemoedig dacht ik terug aan vervlogen tijden. Toen ik om 12 uur uit bed rolde en aanschoof voor een zacht eitje waar ik warme pistoletje in doopte. Toen de tafel rijk versierd was met glinsterende paaseitjes en er een chocolade Paashaas op mijn bordje stond. Niets meer van dat al. Tegenwoordig moet ik voor dag en dauw opstaan als ik een ei wil. En die Paashaas zit er sinds vorig jaar al helemaal niet meer in.

Voordat ik het appje stuurde bedacht ik me; Het maakt niet uit of ik protest aanteken. Niels (oftewel mijn leukere helft volgens de familie, inclusief de hond) is er niet bij dit jaar, dus dat heb ik dit jaar ook al tegen. Dan kom ik toch niet? Zal hen worst zijn. Dan past de kinderstoel van Kleine Spruit tenminste fatsoenlijk aan tafel. Ik weet wat je denkt: ‘Natuurlijk niet, jij hoort er ook bij.’ Maar nee, ik ben van mijn troon gestoten door de jongste generatie Harmsen. Kortom: waar ik vorig jaar nog teleurgesteld was dat ik geen Paashaas kreeg, ben ik dit jaar blij dat ik überhaupt werd uitgenodigd. Dus eerlijk gezegd durfde ik het niet zo op het spits te drijven. Daarom appte passief agressief: ‘ Ja hoor, geen probleem. We passen ons wel weer aan aan die kleine drol.’

En ik gedroeg me op m’n Paasbest. Ik droeg een nieuw jasje, want dat doet het goed bij moeders, en had zelfgebakken kaneelbrood meegenomen. Toen ik binnenkwam dook Kleine Spruit spontaan met zijn handjes voor zijn gezicht op de grond, want tante Marissa betekent blijkbaar kiekeboe spelen. Toegegeven, dat was grappig. Ik pakte hem op, tilde hem hoog boven mijn hoofd en gooide hem een stukje de lucht in. Wat een lol! Het leek me een goede bootcampoefening, dus dat deed ik nog een paar keer. En toen viel er een dikke druppel kwijl op mijn wang. Hè gatsie. Ga maar weer ergens anders spelen.

Nadat ik iedereen begroet had kwamen Kleine en Papa Spruit stiekem samen uit de gang. Kleine Spruit rende naar me toe. In zijn handjes hield hij vol trots een chocolade Paashaas omhoog. Voor tante Marissa! Voor tante Marissa?
Wel potverdikkie. Hoe kan ik die Kleine Spruit nu nog een lastige kwijlende herrie-makende schema-in-de-war-schoppende kleine stinkende broekenpoeperd vinden?

Totdat… hij ineens rood aanliep en een beetjezat te kneden in z’n kinderstoel. Ja hoor, ook de vorig jaar opgerichte code-bruin-tot-aan-de-oksels-aan-de-paastafel-traditie werd in ere gehouden. Al onze zintuigen werden geprikkeld en geen enkele op een prettige manier. Hè gatsie. De ultieme test.

Maar… heel gek, het kon me geen drol schelen…
Well played, kleine stinkerd, well played.

Stiekem sportief.

31 januari 2016
Ergens is er iets misgegaan. Het ene moment keek ik uit het raam en dacht: ‘Mooi niet dat ik in die stortregen ga bootcampen!’ En het andere moment, zomaar, zonder dat ik er ook maar enige invloed op had, parkeerde ik mijn auto in de modderige berm van het Lingebos. Ach, ik ben vast de enige die vandaag is op komen dagen, dacht ik. Dus dat wordt gewoon een gesprekje met trainer E., zo van ‘Nou ja zeg, dat er niemand komt opdagen in dat beetje regen, hè? Pffff, daar laat een echte sportbikkel zich toch niet door tegenhouden? Maarja, als er verder niemand is, dan gaan wij ook maar, hè? Nou doei!’

Maar nee. Iedereen was er. Het was verschrikkelijk. Ik voelde me al een hele eindbaas omdat ik daar stond, maar een uur bootcampen in de regen was ik eigenlijk niet van plan. Je gaat toch niet in het bos rondhuppelen in de stromende regen? Maar er was zelfs iemand komen joggen vanuit Arkel. Vanuit Arkel. In de regen. Doe even normaal. Hoe moet ik me dan ooit sportief voelen? En tot mijn verbazing begonnen we aan de warming-up. Gaat er dan echt niemand zeggen dat we helemaal hartstikke debiel zijn met z’n allen? Nee? Dat we allemaal maandag ziek zijn als we dit achterlijke gedoe doorzetten? Maar hee, als iedereen het doet, dan kan ik niet achterblijven. Maar vooruit, de warming-up was nog onder een afdakje. Straks geeft er vast wel iemand op, dacht ik, en dan kan ik ook lekker naar m’n warme douche…’ En gelukkig, trainer E. zei dat we teruggingen naar de auto’s.

Maar nee. Ja, we gingen wel terug naar de auto, maar niet om te stoppen. Nee… Om autobanden te halen! Autobanden! En nog steeds niemand die er de brui aan gaf. Dus ik laat me niet kennen, gooi zo’n autoband om m’n middel en ren met de groep mee. Nog steeds kan mijn hoofd er niet bij dat ik aan het bootcampen ben in de regen, maar op de een of andere manier is dat wel wat mijn lichaam doet. De regen striemt in m’n gezicht en die autoband lijkt nog zwaarder dan normaal. Bij iedere stap probeer ik de diepste modderplassen te ontwijken. Mijn haar plakt tegen m’n gezicht en ik weet dat de mascara van gisteravond zich nu ergens halverwege mijn wangen bevindt.

Dan bedenkt trainer E. dat we een stukje door het gras gaan rennen. Tot dat moment waren mijn voeten nog het enige droge stukje Marissa. Maar er was geen houden meer aan. Ik omarmde mijn natte sokken. Ik moest wel, want de plassen waren niet te ontwijken en ik stond tot aan m’n enkels in het water. Op een gegeven moment raakte mede-bootcampster F. en ik een beetje achter. We overwogen letterlijk om af te snijden door een stuk te zwemmen.
De motivatie zakt me helemaal in de soppige schoenen toen trainer E. vrolijk verkondigde dat we ‘al’ op de helft van de tijd waren en dat we dus nog ‘maar’ een half uurtje hoefden. Ik zou namelijk zweren dat dit geploeter al anderhalf uur duurde.

‘This too shall pass’, ‘This too shall pass’, ‘This too shall pass’, fluisterde ik als een mantra tegen mezelf. Het zag er niet meer naar uit dat er voortijdig gestopt zou worden, dus dan maar mentaal sterk zijn. Nog een paar keer opdrukken op de autoband en ineens besefte ik het me: Ik ben aan het sporten. In de regen. En niemand houdt me onder schot. Dus eigenlijk loop ik hier vrijwillig.
Ja, ik vond het verschrikkelijk en dat schoof ik niet onder stoelen, banken of autobanden. Ja, ieder moment lonkte mijn bed, bad, douche en al het warms in mijn huis. Maar hee, ik lig me hier gewoon in de regen op te drukken en het lukt nog ook. Dat kon ik een half jaar geleden nog niet. En ik wil hier niet zijn, maar ik ben er toch. Volgens mij ben ik stiekem sportiever dan ik denk…