Beginnen.

20 maart 2022
Een jaar of 6 geleden kwam ik haar tegen op de Varkenmarkt, bij de Zomerfeesten. Je weet wel, de plek waar je iedereen van vroeger tegenkomt die je wel en niet wilt zien. ‘Hee Marissa!’, schreeuwt ze boven het feestgedruis uit, ‘Wat schrijf jij leuke stukjes op internet!’. Huh?
Toen blogde ik trouw iedere week. En zij vond dus dat ik dat leuk deed. ‘Zij’ is professioneel theatermaakster. Schrijfster. Dichter. Musicus. Zangeres. Iemand die van haar creativiteit haar beroep heeft gemaakt. In mijn ogen iemand die verstand heeft van dat soort dingen. En zij vindt de tijd om mijn schrijfsels te lezen?
Mind. Is. Blown.

3 jaar geleden trof ik haar weer. Dit maal bij de Kruidvat, net voorbij de kassa. ‘Hee, schrijf je nog weleens?’, vraagt ze. Bruine teddy-jas, nonchalante knot, zoontje en man in haar kielzog. Inmiddels volg ik haar carrière en ze is goed aan de weg aan het timmeren, een rijzende ster. Half star struck antwoord ik ‘Nou eeeh, niet zoveel. Ik zou het vaker moeten doen eigenlijk…’.
Intussen staan we schandalig in de weg voor het overige winkelend publiek, maar terwijl de wereld om ons heen doordraait (ons geërgerd aankijkt en half omver bonkt), gaat het langs me heen. Want deze conversatie gaan wij nu even voeren. Zelfs man en kind luisteren geduldig mee.
‘Ja’, zegt ze, ‘Je zou er echt iets mee moeten doen!’ Dat hoor ik vaker, maar nu komt het binnen. Omdat zij het zegt. Zij die in mijn ogen verstand heeft van dat soort dingen. Zij, het levende bewijs dat je er echt iets mee kunt doen. Ik voel dat ik bloos. ‘Wat leuk dat je dat zegt. Maar… wat dan? Ik weet niet eens waar ik moet beginnen. Met m’n fulltime baan en…’
‘Begin gewoon.’, onderbreekt ze me. Tja, begin gewoon. ‘Maar hoe weet ik of het goed is wat ik doe?’ Mijn leven is altijd gestoeld geweest op school en werk en cijfers, beoordelingen en resultaten. Maar niemand gaat een beoordelingsgesprek met me voeren over mijn creatieve uitspattingen.
‘Joh, ik doe ook gewoon maar wat.’, ze maakt er zo’n wegwuivend gebaar bij. Jij doet ook gewoon maar wat? En daar sta je mee in het theater? Daar baseer je je carrière op? ‘Hè?’
Mind. Is. Blown. Again.

En ik begon gewoon. Ik mocht als trouwambtenaar aan de slag. Met veel dank aan de Burgemeester van de Gemeente Molenlanden en zijn collega, aan mijn eerste bruidsparen. Ze vertrouwden me. Dus ik begon.
Met schrijven. In de tussentijd heb ik geschreven aan flarden van iets dat misschien ooit een boek zal worden. Geen idee of het echt iets wordt, maar ik begon gewoon.
Met luisteren. Bij de eerste afscheidsspeech heb ik vooral mijn hart laten spreken. Geen idee of het goed zou zijn, maar de familie vertrouwde me. Dus ik begon.

Nog steeds heb ik het gevoel dat iemand me straks komt vertellen dat het allemaal nergens op slaat wat ik doe. Omdat ik ‘maar wat doe’. Maar creativiteit laat zich niet vangen in een cijfer. Wel in de liefdevolle reacties van het bruidspaar, hun gasten, de familie die afscheid neemt, de glimlach van mijn lief die de flarden van mijn boek leest. Mijn vader die mijn moeder nu ook naar Cees Kip stuurt.
Ja, ik doe maar wat, maar blijkbaar doe ik toch ook iets goed.

En als al die mensen op me vertrouwen, misschien moet ik dan ook eens op mezelf vertrouwen.
Naast m’n baan, gezinsleven, sport en alle andere uitdagingen des levens vond ik mijn passie. Luisteren, schrijven, huwelijken voltrekken, een afscheid verzorgen, spreken, vermaken.

Dus misschien horen jullie in de toekomst nog van alles van me. Misschien ook niet.
Maar ik ben begonnen. En stoppen zit er niet meer in.

Malse kippetjes.

5 maart 2022
‘Maris, als je dat proeft, wil je nooit meer iets anders.’ Nou, dat leken me wel hele stoere woorden, maar bootcampvriendinnetjes M. en S. verzekerden me dat ik nooit meer ‘die gummikip van de Coop’ zou kopen. Nu heb ik manlief en zijn kroost al vaker horen klagen over de kip van de plaatselijke buurtsuper, maar ik stak mijn kop in het zand. ‘Nee hoor, smaakt prima!’, roeptoeter ik terwijl ik op een stuk rubber kauw, want ik was al lang blij dat er een maaltijd op tafel stond die enigszins gezond, zelfgekookt en niet gefrituurd was. Ja mensen, het leven van een directiesecretaresse-bonusmoeder-trouwambtenaar-die-ook-wil-sporten gaat niet altijd over rozen.

M. en S. zijn dus lyrisch over de nieuwe vreemde eend in de bijt op de Arkelse markt. Of liever gezegd, nieuwe vreemde kip. Aangezien die markt nòg dichterbij is dan de buurtsuper, kan het me ook niet heel veel makkelijker gemaakt worden. Ik moet het alleen goed timen. De straat oversteken om het huishouden van verse kipfilet te voorzien moet even kunnen tijdens het thuiswerken, vind ik. Dus daar ga ik, portemonnee in de ene hand, boodschappentas in de andere. Terwijl ik een kraam passeer met allerlei olijven, tapas en verschillende broodjes die ik ook nog nooit had gezien, besef ik dat ik toch wat vaker onder mijn steen vandaan moet komen. Daartegenover zie ik iets dat eruitziet als de kippenkraam.
En op de kraam lees ik het ook: Cees Kip. Toepasselijke naam. Niets meer aan doen.

Voor de kippenkraam staan de kaasboer en de visboer gezellig te babbelen met de kippenboer. Vrolijk zeg ik ‘Goedemorgen!’ en alle boeren stuiven uiteen. Dat had nou ook niet per sé gehoeven, maar het doet me deugd dat er nog aandacht voor de klant is. In de gemiddelde kledingwinkel moet je eerst een chagrijnige puber van haar telefoon amputeren voordat je bij Gods gratie je nieuwe skinny jeans mag afrekenen, maar hier gaan ze voor me aan de kant alsof ik de koningin ben.
Cees, of meneer Kip, zo je wilt, blijkt een ontzettend vrolijke snuiter. Zo leg ik uit dat ik de tip heb gekregen om eens bij hem langs te gaan, waarop meneer Kip enthousiast uit de doeken doet wat hij allemaal in z’n kraam heeft liggen. Ik ging alleen voor kipfilet, maar kwam ook thuis met een stuk grillworst en kipburgers. Het zag er allemaal zo lekker uit, en als iemand met zoveel plezier zijn waar aanprijst, dan koop ik met liefde je halve kraam leeg.

Die avond was de vuurdoop. Ik had broodjes black angus burger en kipburger gemaakt. Manlief wil altijd het lekkerste voor het laatst bewaren. Hij valt met smaak de kipburger aan en daarna zijn angusburger. Na 3 happen black angus legt hij teleurgesteld zijn broodje neer. ‘Maris, ik heb geen trek meer’. Verbaasd laat ik mijn broodje zakken en kijk hem vragend aan. ‘Die kipburger was veel lekkerder!’. De volgende ochtend bij het ontbijt blijkt ook de grillworst heeeeeeerlijk te zijn.

De week erna lukt het timing-technisch even niet om een bezoek te brengen aan meneer Kip. Manlief is dusdanig onthutst dat de black angus grillworst die ik bij de lokale boerderij haal het leed maar deels kan verzachten. Dus gisteren was ik weer bij Cees. Inmiddels mag ik Cees zeggen tegen meneer Kip. Dus ik zeg ‘Cees, ik kom vanaf nu elke week hoor!’ en koop vervolgens kipfilets, kippendijen, nasi, een loempia, stuk grillworst (nog warm!) en de aanbieding van 4 burgers + 4 schnitzels voor € 3.95. Had ik al gemeld dat meneer Kip ook zeer redelijke prijzen hanteert?

De kippendijen verwerkte ik in een Arabische groentenstoof die in een tajine hoort, maar ik kreeg die fucking tajine niet aan de praat op mijn inductie met apart kookplaatje. Dat is verder een ander verhaal vol oerfrustraties, maar de moraal is: We hebben nog nooit zulke heerlijke malse kippendijfilets gegeten.

Ik kreeg echter nog één klacht: ‘Lief, waarom heb je maar een halve grillworst gekocht?’
Dus Cees, volgende week een hele grillworst, graag.

Vis TV

1 maart 2022
Nu waren manlief en ik toch al niet van die avonturiers. Maar sinds corona zijn intrede deed, hebben we onze status als bankstel wel heel erg eer aan gedaan. Of eigenlijk is bankstel het verkeerde woord, want dat zou impliceren dat je veel op de bank zit. Dat doen we nog niet eens. We hebben een TV in de slaapkamer, want waarom zitten als je ook kunt liggen. We hebben dan ook wel een serieus professionele chillzone, want ons bed is uitgerust met verstelbaar hoofd- en voeteneind. Waarom we desondanks altijd zitten te hannesen met niet minder dan 6 kussens, om een gerieflijke plek te creëren om ons hoofd tegenaan te vleien, is me werkelijk een raadsel. Maar dat terzijde.

We hebben tv-kijken tot een kunst verheven. Burgerlijkheid voert hoogtij. Daar kunnen we ons voor schamen, maar het is tijd dat we het omarmen. Dat we daar trots op zijn. Ik zou het zelfs iedereen willen aanraden, want er niets heerlijkers dan leeghoofdige programma’s wegkijken onder een donzig dekbed, samen met m’n lief. En als je vroeg onder de wol kruipt, wordt je vaak ook vroeg weer wakker.

Wie op zondag vroeg de tv aanzet, komt uit bij Vis TV. En daar moeten we het eens over hebben. Waarschijnlijk weet je niet eens dat het bestaat, want wie is er in hemelsnaam wakker op dat onchristelijke tijdstip, maar het bestaat al 25 jaar. Geen idee hoe dan, want de inhoud van het programma is al net zo spannend als de titel doet vermoeden.
Manlief vindt het echter he-le-maal fantastisch. Sinds hij op een blauwe maandag met een hengel langs een of andere moddersloot heeft gestaan, kijkt hij het. Of hij neemt het op, want stel je voor dat je er eentje mist. En dus maak ik op zondagochtend twee schuimende cappuccino’s om die, terug in bed, onder het ‘genot’ van Vis TV te nuttigen.

We kijken naar Ed en Marco, die iedere week een andere stek zoeken aan één van de wateren die Nederland rijk is. Er schijnt een hele wetenschap te zijn over wat voor aas je moet gebruiken voor welke vis en voor welke plek, en het zal me werkelijk een rotzorg zijn. Ze hangen dat ding in het water en dan begint hun dag. En hun dag bestaat uit turen naar een dobber en ’s middags een warme chocomel met vers geklopte slagroom.

Ze zitten meters ver bij elkaar vandaan en het enige dat ze doen is enthousiaste kreten uitstoten wanneer de dobber in beweging komt. Dan snelt de ander toe en begint de strijd met wat er aan de haak hangt. Onder boerenwijsheden als ‘Ja, dit voelt wel brasem-achtig aan’, wordt het arme dier binnen gehengeld. Er volgen oh’s, ah’s en whoehoe’s over wàt een prachtige vis dit is. Ik heb ze nog nooit horen zeggen dat het maar een stomme kutvis is.

Er wordt verteld wat voor soort het betreft en hoe groot en zwaar het ding is. En natuurlijk moet er een foto gemaakt worden voor Vismaat, zeggen ze. Geen idee wat dat is, maar manlief is volledig op de hoogte. Dat is een app waar mensen inzetten wat ze gevangen hebben, zodat andere mensen dat daar ook kunnen komen vangen.
En dan heb je dus heel die toestand achter de rug. Hebben ze eindelijk dat haakje uit z’n neus gepeuterd nadat ie 3x uit hun handen is gesparteld, gooien ze hem terug. Dus niet op de BBQ, maar terug het water in. Dat beest heeft een trauma van hier tot Tokio en moet dat z’n hele leven nog met zich meedragen. En dankzij Vismaat weet iedereen dat die vis daar zwemt, dus is het een kwestie van tijd voordat ie weer een keer in een verkeerde wurm bijt. Lekker dan.

Aan de andere kant, wat is Nederland eigenlijk mooi zo vanaf de waterkant. En dat pak je dan toch maar weer mooi mee op de vroege zondagochtend.
Ik zei het al; omarm de burgerlijkheid. Ik kan het iedereen aanraden.

Slippertje.

29 juni 2021
Nee, ik ben er zelf ook niet trots op. Verre van zelfs. Ik had nooit verwacht dat ik het zover zou laten komen. Mensen die tot zoiets in staat zijn heb ik ook nooit begrepen. Maar het is sterker dan ik. Zò fout, maar zò heerlijk. En nu ik eenmaal de stap heb gezet, is er geen weg meer terug.

De oudste bonuszoon draagt tegenwoordig dezelfde schoenmaat, en dat vinden we allebei grappig.
Dus toen hij met zijn oranje hup-hup-slippers aankwam, moesten die gepast worden. Alleen… ik heb een hekel aan slippers. Ze laten je tenen zien. En ik heb een hekel aan tenen zien.
Die eerste warme dag van het jaar waarop mensen hun zweterige gezwollen voeten in scheefgelopen slippers proppen. Jakkes. En maar wapperen met die tenen. Ik heb ook niks met Chris Zegers.

Deze slippers zijn echter ontworpen door Fred van Leer. En ach, laat mij ook een keer de coole plusmoeder uithangen. Dus… ‘Zo, stoere slippers, hoor! Mag ik ze passen?’
Vol ‘enthousiasme’ haalt bonuszoonlief de schouders op en trapt subtiel zijn slippers uit in mijn richting.
Ik drapeer de oranje plastic draken om mijn poezelige voetjes.

Oh. My. Goodness. Het is alsof ik op wolkjes loop. Ineens snap ik Chris Zegers. Ik wil ze nooit meer uit.
Wat overkomt me nu? Ben ik diep in mijn hart stiekem een tokkie? Ik ben ik de war. Ik weet alleen dat ik hup-hup-slippers nodig heb in m’n leven. Met de oranje exemplaren nog aan, snel ik me naar Shoeby.nl. Ik rechtvaardig deze actie door met mezelf af te spreken om ze alleen in-en-om het huis te dragen. Oh ja, en van de zomer op de camping. Want dan is er toch al geen redden meer aan.
Om verwarring te voorkomen, wordt het de zwarte variant. Hup, in ’t winkelmandje. Hup, betaald. Bijna voel ik me er een beetje viezig bij. Alsof ik in één keer een hele BonBonBloc naar binnen heb gewerkt.

Een paar lange dagen later schieten mijn voetjes er, hup, zo in. Wat een feestje voor m’n voetjes! Dan maar een tokkie. Dan maar stijlvol vanaf de enkels naar boven. Het is bijna 30 graden en mijn tenen mogen, na 37 jaar eenzame opsluiting, verdikkeme ook weleens wapperen in de wind.

De volgende dag haast ik me naar de Coop, want de ketchup is op. En als kannibalisme kan worden voorkomen door even naar de Coop te racen voor ketchup, dan doet een mens dat.
Ik buig naar beneden om de ketchup te pakken en schrik als ik in grote witte letters HUP HUP lees. Mijn tenen wiebelen er schaamteloos bovenuit.

Help. Ik. Draag. Badslippers. In. Het. Openbaar. Nou, daar gaan m’n principes. Even twijfel ik, maar besluit mijn nieuwe ik te omarmen. Blijkbaar draagt deze nieuwe ik badslippers naar de Coop. Met enige trots zwiep ik mijn haar naar achteren, borstjes vooruit, lipjes getuit. En vervolg mijn missie achter de winkelwagen.

Dat nota bene Fred van Leer me tot dit slippertje heeft weten te verleiden…

Aandacht.

7 maart 2021
Dierenartsen luiden de noodklok. Want hebben wij mensen het al zwaar met alle maatregelen, onze huisdieren zit het ook heus niet mee. Vooral katten schijnen te kampen met stressklachten. Die blijken er namelijk helemaal niet op te zitten wachten dat hun personeel maar de hele dag een beetje thuis zit en om aandacht vraagt. Fijn dat we hun eten neerzetten en ze af en toe onder het kinnetje kriebelen als ze dat komen opeisen, maar verder moeten we ze gewoon lekker met rust laten. Ze hebben per slot van rekening wel hun slaapje nodig. Nu wij als werknemers ook overdag komen zeuren om kopjes en kroeltjes, ligt chronisch slaapgebrek op de loer, met alle gevolgen van dien.

Nee, dan dat Russische, langharige aandachtsorgel van mij.
Zodra ze me tegen m’n computer hoort praten vanachter de keukentafel, komt ze vrolijk de trap af getrippeld. Met lichte tred, de imposante staart opgewekt de lucht in, springt ze via het Ikea keukentrapje op mijn ‘bureau’. Het puntje van haar staart wiebelt als ze zich verheugt op fijne kriebeltjes. Nietsvermoedend zit ik in een video call, als het mormel me plotseling vanaf rechts tegen mijn neus ramt. Ze gaat pontificaal voor me staan, pootjes op het toetsenbord. Staart nog steeds in de lucht. Kont richting webcam. En zo schurkt ze haar neus tegen die van mij aan. Of ze bijt erin. Ondertussen probeer ik mijn gezicht in de plooi te houden, terwijl ik haar met lichte dwang op de stoel naast me zet. Dat doe ik liefdevol en met beleid, want eerlijk is eerlijk, die poes kan bij mij in de pap schijten. Bovendien wil je bij je collega’s niet te boek staan als dierenbeul. En, hardleerse drol dat het is, herhaalt dat proces zich gerust een keer of twaalf.

Als ik de tussendeur dicht doe, staat de diva te krabben en te krijsen in de gang. Ook niet bevorderlijk voor de concentratie. De negeertechniek resulteert in niet zachtzinnige kopjes tegen het scherm, waarna ze zich onder luid gespin bovenop mijn typende vingers neervlijt. Zo heeft ze al eens onbedoeld een mailtje verzonden, toen ze met haar voetzooltjes op het muis-gedeelte lag te kneden.
Toegegeven, behalve irritant, vind ik het ook maar wat lief en grappig. Bij collega’s hoor je kinderen op de achtergrond gillen dat de Ipad leeg is, bij mij dartelt de poes af en toe door het beeld.

Mijn collega in Singapore heeft een dochtertje van 4. Tijdens één van die calls keek ze met haar vader mee, toen mijn poes weer eens gezellig op bezoek kwam. Pa blij, want kind meteen vrolijk. Maar sindsdien is dochterlief lyrisch van ‘kittycats’. En in het bijzonder van mijn ‘kittycat’.
Dus nu bel ik af en toe met Singapore, zo rond een uur of 11 in de ochtend. En kan dochtertje A., net voordat ze naar bed gaat, even met mijn Siberische haarbal kletsen. De stofkont laat het zich allemaal welgevallen, en paradeert fier over het toetsenbord.

Dus waar de meeste katten gestresst raken van teveel aandacht, heeft die van mij heeft inmiddels fans in Singapore.
We leven in een rare tijd.

In de ban van de bolletjes.

25 april 2020
Laat ik beginnen met toegeven dat ik geen groene vingers heb. Mijn ouders hebben mij veel doorgegeven, maar niet hun liefde voor tuinieren. Ja, als het klaar is en de bloemetjes staan gezellig naar me te lachen, dan ben ik een tevreden mens. Alleen dat duurt nooit lang. Binnen een paar dagen hangt de helft op half zeven. Ik voel de behoeftes van mijn plantjes gewoon niet zo aan. Ik geef ze ofwel geen, ofwel te fanatiek water. Of er staat plotseling een of andere vage stengel in de pot. Hoezo dan? Wat moet die stengel tussen m’n hortensia’s? Of ik heb dus ineens stiekeme geheimzinnige bolletjes in m’n potten.

Paps en mams hebben er wel alles aan gedaan hoor, om me wat tuinieren-manieren bij te brengen. Als kind zat ik altijd onderin de kar bij het tuincentrum. Al gauw leerde ik van papa dat dahlia’s het allermooist zijn. Altijd. Dat is ons dingetje. Mama moet niets van dahlia’s hebben, daar komen slakken in. Dus kwam moeders er steevast bij de kassa pas achter dat er her en der ook dahlia’s de kar in waren gesmokkeld.

Ook toen ik al lang op mezelf was voelden mijn ouwelui zich medeverantwoordelijk voor mijn tuintje. Ze reden regelmatig met me naar tuincentra in het ganse land in een poging me nog wat nuttigs bij te brengen. Ik wees aan wat ik mooi vond en vaders knikte dan instemmend of zei ‘Nee, das niks’. Waarom het niks was, was me niet altijd duidelijk, maar ik had er geen verstand van dus ik luisterde gedwee. Als het vaders goedkeuring kon wegdragen, vergeleek moeders alle exemplaren om er zeker van te zijn dat we wel de mooiste te pakken hadden. Vaak paste ik er nog net bij in de auto terug, en meestal zat ik nog een uur met een onhandig zware pot tussen mijn benen.

Inmiddels bedenk ik me heel soms spontaan om de potten te verblijden met een druppie water. Dat is dan niet zozeer omdat ik de smeekbede van de plantjes hoor, maar meer omdat mijn ouders me inmiddels zo geïndoctrineerd hebben, dat ik letterlijk hun stem in mijn hoofd hoor als ik een slappe bloem signaleer. En als ik dan met een felgroene gieter de boel sta te bewateren, hoor ik ze bijna juichen vanuit hun achtertuin. Hebben we ons kleine meisje toch maar mooi meegegeven.

Maargoed, ondanks al die ouderlijke stimulans heb ik geen groene vingers ontwikkeld. En zodoende waren de paars-groene bolletjes een waar mysterie voor me. Het groeide en groeide. Ze werden steeds hoger. Steeds groener. Ze leken een beetje gerimpeld en gedraaid. Als dat maar goed komt, dacht ik.
Plots herkende ik er de planten van vorig jaar in. Je weet wel, die weelderige bladerplanten. Van die mooie volle bossen frisse groene bladeren. Ik vond het al zo vreemd dat die in de winter helemaal kapot waren gevroren, want zoveel viel er toch niet kapot te vriezen afgelopen jaar.
‘Ja, ongelofelijke gnoe, dat is dan toch logisch?’, sprak manlief me teder toe.

‘Oh, éénjarige planten?’

Bolletjes.

18 april 2020
Ironisch genoeg begon de zon precies te schijnen toen de intelligente lockdown van start ging. Maandenlang alleen maar regen, en ‘du moment’ dat we binnen moeten blijven, komt die warme goudgele troela achter de wolken vandaan. En daar kunnen Nederlanders niet mee omgaan. Bij de eerste zonnestraal stoppen we onze ongemanicuurde witte voeten in donkerblauwe badslippers. Gecombineerd met het hemdje en korte broekje van de camping van vorig jaar, strakgetrokken over de kerstkilo’s die er her en der nog onderuit flubberen. Als de zon schijnt kan Nederland zich niet bedwingen.

En we doen nog meer raars onder invloed van lentekriebels. Nu we ook nog eens zoveel mogelijk ‘rundum hause’ blijven, krijgen we massaal nesteldrang. Huis en tuin mòèten aan kant. Nu. Mensen maken inmiddels een uitje van het wegkieperen van hun overbodige spullen. En dus staan we in de rij voor de stort alsof het de Efteling is, bewapend met thermoskannen koffie en een klapstoeltje. Gezellig.

Uiteraard ben ik ook een enorme Hollander en ontkom dus ook niet aan de invloed van de onverwachte blootstelling aan Vitamine D. Bij mij uiten de lentekriebels zich in de behoefte aan fleurige plantjes in ons achtertuintje. Gehuld in fashionable panterprint-tuinhandschoenen trok ik de troosteloze overblijfselen van afgelopen zomer uit de potten om ze klaar te maken voor nieuw groen. Fanatiek hakte ik met mijn ijzeren schepje door de droge grond waar vorig jaar nog weelderige bladerplanten stonden. Geen idee wat voor bladerplanten, en trouwens ook geen idee of het nut had wat ik deed, maar hee, ik had een Project en was lekker bezig. En toen gebeurde het…

Plotseling zag ik kleine paars-groene puntjes boven de grond uitsteken. Mijn eerste gedachte was; Heb ik bollen geplant? Maar ik heb in mijn hele leven nog nooit een bol geplant, dus dat kon ik me niet voorstellen. Heel even dacht ik dat manlief als verrassing iets plantaardigs in de grond had gestopt, maar dat kon ik me bij nader inzien nog minder voorstellen. Hij is namelijk de allerleukste en liefste, maar zo romantisch als de gemiddelde stekkerdoos.

Kortom, ik heb ‘Operatie Nieuwe Plantjes’ stopgezet en ben nu in de ban van de bolletjes. Een waar mysterie ontrafelt zich in onze achtertuin. Ik voel me een beetje in verwachting, maar dan zonder de ongemakken. Wat zal het worden? Blauw of roze? Krokussen of hyacinten? Maar die vliegen toch niet spontaan die potten in? Misschien borrelt er al een jaar iets in die pot en steekt het nu zijn kopje op. Elke dag neem ik nieuwsgierig een kijkje bij de geheimzinnige puntjes. En elke dag steken ze een klein stukje verder boven de grond uit. Af en toe geef ik ze zelfs water en fantaseer over het moois dat we straks te zien krijgen. In mijn hoofd hebben ze alle kleuren en vormen al gehad. Het is vast een nog onontdekte plantensoort. Het kan allemaal in Arkel. Ik praat er nog net niet tegen, maar dat duurt niet lang meer.

Week 4 in lockdown… Tja…

Trotse ogen

2 februari 2020

De meeste ouders zijn trots op iedere scheet die hun kroost laat. Daar kunnen ze niets aan doen, dat is oerinstinct. Jouw kind is het allerbeste, leukste en liefste van de wereld. En dat oerinstinct is maar goed ook, want hoe verdraag je anders de slapeloze nachten, stinkende luiers en het onophoudelijk gejengel? Mijn ouders zijn daarin geen uitzondering. Tussen het gejengel door bleek ik ook dingen te doen waar ze trots op konden zijn. Spuuglelijke zelfgemaakte moederdagcadeautjes, elke playbackshow in de wijde omtrek van Arkel (4 jaar en dan ‘La France’ van BZN playbacken, ja daar doe je het voor als ouders), ik at mijn bord een keer leeg, en uiteraard het strikdiploma bij Juf Elly, zijn zomaar wat mijlpalen uit mijn jonge jaren. Maar wat voor mijlpalen zich ook voordeden, voor mijn vader er is één moment in mijn leven dat nooit meer overtroffen is of zal worden. De eindmusical, goede cijfers, Hotelschool diploma, het valt allemaal in het niet bij dat ene moment.

Mijn broer was altijd goed in sport. Hij was lang en atletisch en kon goed voetballen. Maar ik, ik was klein en mijn talenten lagen nu eenmaal niet op het sportieve vlak. Ballet kon ik wel, paardrijden ook, maar dat telde niet mee als sport. Zodra ik iets moest met een bal, team, of andere fysieke uitdaging, was ik reddeloos verloren. Mijn vader’s droom dat ik ooit op hockey zou gaan is dan ook nooit uitgekomen. Die stick en die bal vond ik veel te hard. Verder hield ik het lekker bij klarinetles, Barbies en het kinderkoor. En daar kon mijn vader dan weer niet zoveel mee.

Maar op dat ene moment was ik niet alleen papa’s kleine prinses, maar ook zijn zon, de maan en de sterren. Ik was tien en kwam thuis terloops melden dat ik had besloten om mee te doen aan de Stratenloop, ter ere van de feestweek in het dorp. Één hele kilometer, of anderhalf, pin me er niet op vast. Mijn ouders waren in geen velden op wegen te bekennen bij de start, maar daar ging ik. De route was me een raadsel, dus ik volgde het rood-witte lint. De afstand viel me vies tegen, maar ik was dwars genoeg om niet op te geven. Onderweg zat een meisje gewond op de grond. Jammer joh, dòòrgaan moest ik. Mensen riepen; ‘Doorlopen, je ligt aan kop!’ Geen idee tegen wie ze het hadden, want ik was uitgeput en vooral bezig niet over mijn eigen voeten te struikelen. Terug bij de feesttent, zag ik mijn ouders juichen en springen van geluk. Ik was ook superblij, want ik kon eindelijk stoppen. Wat een lijdensweg.
Toen ik weer een beetje op adem was, bleek ik gewonnen te hebben. Terwijl ik me afvroeg hoe dan, werd mijn vader er bijna emotioneel van. Die ukkepuk kan blijkbaar toch wat met die kleine voetjes! Ze kan rennen!

Nog steeds beduusd klom ik op het blok waar de 1 op stond en nam de prijs in ontvangst. Een cadeaubon van vijf gulden van de plaatselijke hobby winkel. Maar die hele flutprijs interesseerde me geen drol.

Ik had papa’s trotse ogen gewonnen.

Dampende douche. (II)

14 mei 2019
‘Anders kom je een keertje meedoen in Vuren?’ Het bootcamp clubske in Arkel ging niet door, maar m’n kleding zat nog steeds te strak, dus ik moest wat. Vuren? Da’s best een stukkie rijden. Dinsdagavond? Nee, dat komt niet goed uit. Vrijdag? Nee, eigenlijk ook niet. Kortom, Harmsen had smoesjes genoeg.

‘Kleine, zo ver is Vuren niet. Als jij wilt gaan bootcampen, dan moet je dat lekker doen.’ Wat manlief eigenlijk bedoelde was: ‘Ga alsjeblieft sporten, luie drol. Hopelijk knapt je humeur er ook een beetje van op.’, want het was duidelijk dat het thuiszitten ook zijn weerslag had op mijn anders zo zonnige karakter. Ok, ik had de boodschap begrepen en trok de stoute sportschoenen aan.

Enkele jaren geleden had ik ook een sportieve vlaag van verstandsverbijstering. Ik bootcampte trouw iedere week, waarbij ik ook trouw iedere week de dood minimaal 3x in de ogen zag. Zelfs na meer dan een jaar kon ik de groep niet bijhouden. Hoe hard ik ook mijn best deed, ik bleef er maar achteraan hobbelen met mijn tong op de knieën. Na een uur bleek ik het toch ook die keer weer overleefd te hebben en na afloop waste ik de bijna-dood-ervaringen van me af onder een dampende douche.

Strijdvaardig, en me bewust van mijn uitdagingen op sportief gebied (Lees: ik ben meer gemaakt voor slapen), zette ik de barre tocht in naar Vuren. Daar bleek een idyllisch groen veldje verscholen te liggen tussen hoge bomen achter de dijk. Da’s prettig, want dan is de lokale bevolking in ieder geval geen getuige van mijn aan epilepsie grenzende talent voor beweging.

Het begon meteen goed. Opwarmen met een rondje hardlopen. Hardlopen is de hel. Ik heb flashbacks van het groepje dat op me wacht en weer doorrent precies als ik ze paars aangelopen heb ingehaald. Maar vooruit, dit rondje was te overzien. Verder warmden we op met een spelletje met pionnetjes. Hoe vaak doe je dat nou nog na de basisschool? Daarna een circuitje met oefeningen waarbij het hele lichaam aan bod kwam. De krijger kwam in me los bij het boxen. De buikspieroefeningen koste nog wat moeite na de operatie. Opdrukken heb ik nooit gekund en vandaag was geen uitzondering. Tot slot het liedje ‘Sally Up’. Bij ‘Up’ mochten we staan, bij ‘Down’ moesten we in de squad blijven. Au… Au… Au… Nooit geweten dat dat liedje anderhalf uur duurt.

De torenklok sloeg, het uur vol afwisseling was voorbij gevlogen. In de auto terug verwerkte ik wat er zojuist gebeurd was. Mijn lijf had nog een lange weg te gaan om te herstellen en weer fit te worden. Het buikje moest een stuk strakker om weer blij te zijn in mijn eigen lichaam. Maar ik had het gedaan. Stiekem keek ik uit naar de spierpijn die de dagen erop zou volgen. Naar het teken dat er iets aan het gebeuren was met die overtollige calorieën. En het allerbelangrijkste, ik vond het nog leuk ook!

Manlief had gelijk, sporten is inderdaad goed voor m’n humeur. Op naar de dampende douche!
#jemoetwelwillen

Chocola. (I)

09 mei 2019
Ik had twee opties. Of ik accepteerde deze maat spijkerbroek, of ik ging er iets aan doen. En gezien de tranen die achter mijn ogen prikten, leek de eerste optie uitgesloten. Daar stond ik dan in de Vero Moda. Met ieder kledingstuk waar ik me uit moest wurmen omdat ik toch een grotere maat nodig had, raakte ik verdrietiger. Met een verhit hoofd opende ik het gordijn van de paskamer. ‘Ik moet gaan sporten, mam’.

Nadat ik plotseling geen baan meer had, heb ik een poosje thuis gezeten. En ik heb niet alleen thuis gezeten, ik heb ook alleen thuis gegeten. Want ja, ik moest een beetje lief voor mezelf zijn. En daar was chocola voor nodig. En Netflix. Toen ik ook nog een operatie moest ondergaan was het feest compleet. Want ja, dan moet je nòg liever voor jezelf zijn, en je koest houden onder een dekentje op de bank.

Zo kon het niet langer. Harmsen, je hebt nu lang genoeg bankgehangen, tijd om van die uitgedijde bips af te komen. Toevallig zag manlief een facebook-dingetje voorbij komen van een nieuw bootcamp clubje op het grasveld recht voor onze deur. Leuker konden ze het niet maken, en makkelijker dus eigenlijk ook niet. Voordat ik me zou bedenken, gaf ik me op. Zo, de eerste stap was gezet en ik voelde me nu al sportief.

Op de dag des oordeels werd de sportkleding werd uit de mottenballen getrokken. Zelfs de Coop had plotseling sportkleding in het assortiment. Hebben ze nooit, maar nu ineens wel, dus er viel pardoes een kittig vestje in m’n mandje. De juiste look is immers het halve werk. Nee, als er ooit een moment was om weer te gaan sporten, was het nu. De sportschoenen werden strak gestrikt, haar op een hoge staart, dopper in de hand en gaan met die banaan. ‘Ik ga vast naar buiten hoor, dan komt de rest vast zo wel!’

Onder het toeziend oog van twee kleine en één grote aap liep ik naar buiten. ‘Succes, Marissa!’, ‘Veel plezier, schat!’ Als in slow motion viel de deur achter me in het slot en daar ging ik. De straat over. De apen nog steeds toekijkend van achter het raam. Marissa en sporten, das een combinatie die je niet vaak ziet. De poes zat er inmiddels ook bij in de vensterbank. Semi-actief begon ik wat te dribbelen. Ze zouden vast zo komen. Nog even zwaaien naar het thuisfront. Ik perste er een squadje uit. Vol verwachting stonden ze te kijken.

10 minuten later was er nog niemand, dus vloekend en tierend weer naar binnen. Een pissige voicemail later bleek de trainer me keurig van tevoren te hebben gemaild dat er te weinig aanmeldingen waren, maar die mail was niet aangekomen. Stond ik daar een beetje supersportief te wezen met m’n goede gedrag. Lekker dan.

Nu heb ik chocola nodig.