Aandacht.

7 maart 2021
Dierenartsen luiden de noodklok. Want hebben wij mensen het al zwaar met alle maatregelen, onze huisdieren zit het ook heus niet mee. Vooral katten schijnen te kampen met stressklachten. Die blijken er namelijk helemaal niet op te zitten wachten dat hun personeel maar de hele dag een beetje thuis zit en om aandacht vraagt. Fijn dat we hun eten neerzetten en ze af en toe onder het kinnetje kriebelen als ze dat komen opeisen, maar verder moeten we ze gewoon lekker met rust laten. Ze hebben per slot van rekening wel hun slaapje nodig. Nu wij als werknemers ook overdag komen zeuren om kopjes en kroeltjes, ligt chronisch slaapgebrek op de loer, met alle gevolgen van dien.

Nee, dan dat Russische, langharige aandachtsorgel van mij.
Zodra ze me tegen m’n computer hoort praten vanachter de keukentafel, komt ze vrolijk de trap af getrippeld. Met lichte tred, de imposante staart opgewekt de lucht in, springt ze via het Ikea keukentrapje op mijn ‘bureau’. Het puntje van haar staart wiebelt als ze zich verheugt op fijne kriebeltjes. Nietsvermoedend zit ik in een video call, als het mormel me plotseling vanaf rechts tegen mijn neus ramt. Ze gaat pontificaal voor me staan, pootjes op het toetsenbord. Staart nog steeds in de lucht. Kont richting webcam. En zo schurkt ze haar neus tegen die van mij aan. Of ze bijt erin. Ondertussen probeer ik mijn gezicht in de plooi te houden, terwijl ik haar met lichte dwang op de stoel naast me zet. Dat doe ik liefdevol en met beleid, want eerlijk is eerlijk, die poes kan bij mij in de pap schijten. Bovendien wil je bij je collega’s niet te boek staan als dierenbeul. En, hardleerse drol dat het is, herhaalt dat proces zich gerust een keer of twaalf.

Als ik de tussendeur dicht doe, staat de diva te krabben en te krijsen in de gang. Ook niet bevorderlijk voor de concentratie. De negeertechniek resulteert in niet zachtzinnige kopjes tegen het scherm, waarna ze zich onder luid gespin bovenop mijn typende vingers neervlijt. Zo heeft ze al eens onbedoeld een mailtje verzonden, toen ze met haar voetzooltjes op het muis-gedeelte lag te kneden.
Toegegeven, behalve irritant, vind ik het ook maar wat lief en grappig. Bij collega’s hoor je kinderen op de achtergrond gillen dat de Ipad leeg is, bij mij dartelt de poes af en toe door het beeld.

Mijn collega in Singapore heeft een dochtertje van 4. Tijdens één van die calls keek ze met haar vader mee, toen mijn poes weer eens gezellig op bezoek kwam. Pa blij, want kind meteen vrolijk. Maar sindsdien is dochterlief lyrisch van ‘kittycats’. En in het bijzonder van mijn ‘kittycat’.
Dus nu bel ik af en toe met Singapore, zo rond een uur of 11 in de ochtend. En kan dochtertje A., net voordat ze naar bed gaat, even met mijn Siberische haarbal kletsen. De stofkont laat het zich allemaal welgevallen, en paradeert fier over het toetsenbord.

Dus waar de meeste katten gestresst raken van teveel aandacht, heeft die van mij heeft inmiddels fans in Singapore.
We leven in een rare tijd.

In de ban van de bolletjes.

25 april 2020
Laat ik beginnen met toegeven dat ik geen groene vingers heb. Mijn ouders hebben mij veel doorgegeven, maar niet hun liefde voor tuinieren. Ja, als het klaar is en de bloemetjes staan gezellig naar me te lachen, dan ben ik een tevreden mens. Alleen dat duurt nooit lang. Binnen een paar dagen hangt de helft op half zeven. Ik voel de behoeftes van mijn plantjes gewoon niet zo aan. Ik geef ze ofwel geen, ofwel te fanatiek water. Of er staat plotseling een of andere vage stengel in de pot. Hoezo dan? Wat moet die stengel tussen m’n hortensia’s? Of ik heb dus ineens stiekeme geheimzinnige bolletjes in m’n potten.

Paps en mams hebben er wel alles aan gedaan hoor, om me wat tuinieren-manieren bij te brengen. Als kind zat ik altijd onderin de kar bij het tuincentrum. Al gauw leerde ik van papa dat dahlia’s het allermooist zijn. Altijd. Dat is ons dingetje. Mama moet niets van dahlia’s hebben, daar komen slakken in. Dus kwam moeders er steevast bij de kassa pas achter dat er her en der ook dahlia’s de kar in waren gesmokkeld.

Ook toen ik al lang op mezelf was voelden mijn ouwelui zich medeverantwoordelijk voor mijn tuintje. Ze reden regelmatig met me naar tuincentra in het ganse land in een poging me nog wat nuttigs bij te brengen. Ik wees aan wat ik mooi vond en vaders knikte dan instemmend of zei ‘Nee, das niks’. Waarom het niks was, was me niet altijd duidelijk, maar ik had er geen verstand van dus ik luisterde gedwee. Als het vaders goedkeuring kon wegdragen, vergeleek moeders alle exemplaren om er zeker van te zijn dat we wel de mooiste te pakken hadden. Vaak paste ik er nog net bij in de auto terug, en meestal zat ik nog een uur met een onhandig zware pot tussen mijn benen.

Inmiddels bedenk ik me heel soms spontaan om de potten te verblijden met een druppie water. Dat is dan niet zozeer omdat ik de smeekbede van de plantjes hoor, maar meer omdat mijn ouders me inmiddels zo geïndoctrineerd hebben, dat ik letterlijk hun stem in mijn hoofd hoor als ik een slappe bloem signaleer. En als ik dan met een felgroene gieter de boel sta te bewateren, hoor ik ze bijna juichen vanuit hun achtertuin. Hebben we ons kleine meisje toch maar mooi meegegeven.

Maargoed, ondanks al die ouderlijke stimulans heb ik geen groene vingers ontwikkeld. En zodoende waren de paars-groene bolletjes een waar mysterie voor me. Het groeide en groeide. Ze werden steeds hoger. Steeds groener. Ze leken een beetje gerimpeld en gedraaid. Als dat maar goed komt, dacht ik.
Plots herkende ik er de planten van vorig jaar in. Je weet wel, die weelderige bladerplanten. Van die mooie volle bossen frisse groene bladeren. Ik vond het al zo vreemd dat die in de winter helemaal kapot waren gevroren, want zoveel viel er toch niet kapot te vriezen afgelopen jaar.
‘Ja, ongelofelijke gnoe, dat is dan toch logisch?’, sprak manlief me teder toe.

‘Oh, éénjarige planten?’

Bolletjes.

18 april 2020
Ironisch genoeg begon de zon precies te schijnen toen de intelligente lockdown van start ging. Maandenlang alleen maar regen, en ‘du moment’ dat we binnen moeten blijven, komt die warme goudgele troela achter de wolken vandaan. En daar kunnen Nederlanders niet mee omgaan. Bij de eerste zonnestraal stoppen we onze ongemanicuurde witte voeten in donkerblauwe badslippers. Gecombineerd met het hemdje en korte broekje van de camping van vorig jaar, strakgetrokken over de kerstkilo’s die er her en der nog onderuit flubberen. Als de zon schijnt kan Nederland zich niet bedwingen.

En we doen nog meer raars onder invloed van lentekriebels. Nu we ook nog eens zoveel mogelijk ‘rundum hause’ blijven, krijgen we massaal nesteldrang. Huis en tuin mòèten aan kant. Nu. Mensen maken inmiddels een uitje van het wegkieperen van hun overbodige spullen. En dus staan we in de rij voor de stort alsof het de Efteling is, bewapend met thermoskannen koffie en een klapstoeltje. Gezellig.

Uiteraard ben ik ook een enorme Hollander en ontkom dus ook niet aan de invloed van de onverwachte blootstelling aan Vitamine D. Bij mij uiten de lentekriebels zich in de behoefte aan fleurige plantjes in ons achtertuintje. Gehuld in fashionable panterprint-tuinhandschoenen trok ik de troosteloze overblijfselen van afgelopen zomer uit de potten om ze klaar te maken voor nieuw groen. Fanatiek hakte ik met mijn ijzeren schepje door de droge grond waar vorig jaar nog weelderige bladerplanten stonden. Geen idee wat voor bladerplanten, en trouwens ook geen idee of het nut had wat ik deed, maar hee, ik had een Project en was lekker bezig. En toen gebeurde het…

Plotseling zag ik kleine paars-groene puntjes boven de grond uitsteken. Mijn eerste gedachte was; Heb ik bollen geplant? Maar ik heb in mijn hele leven nog nooit een bol geplant, dus dat kon ik me niet voorstellen. Heel even dacht ik dat manlief als verrassing iets plantaardigs in de grond had gestopt, maar dat kon ik me bij nader inzien nog minder voorstellen. Hij is namelijk de allerleukste en liefste, maar zo romantisch als de gemiddelde stekkerdoos.

Kortom, ik heb ‘Operatie Nieuwe Plantjes’ stopgezet en ben nu in de ban van de bolletjes. Een waar mysterie ontrafelt zich in onze achtertuin. Ik voel me een beetje in verwachting, maar dan zonder de ongemakken. Wat zal het worden? Blauw of roze? Krokussen of hyacinten? Maar die vliegen toch niet spontaan die potten in? Misschien borrelt er al een jaar iets in die pot en steekt het nu zijn kopje op. Elke dag neem ik nieuwsgierig een kijkje bij de geheimzinnige puntjes. En elke dag steken ze een klein stukje verder boven de grond uit. Af en toe geef ik ze zelfs water en fantaseer over het moois dat we straks te zien krijgen. In mijn hoofd hebben ze alle kleuren en vormen al gehad. Het is vast een nog onontdekte plantensoort. Het kan allemaal in Arkel. Ik praat er nog net niet tegen, maar dat duurt niet lang meer.

Week 4 in lockdown… Tja…

Trotse ogen

2 februari 2020

De meeste ouders zijn trots op iedere scheet die hun kroost laat. Daar kunnen ze niets aan doen, dat is oerinstinct. Jouw kind is het allerbeste, leukste en liefste van de wereld. En dat oerinstinct is maar goed ook, want hoe verdraag je anders de slapeloze nachten, stinkende luiers en het onophoudelijk gejengel? Mijn ouders zijn daarin geen uitzondering. Tussen het gejengel door bleek ik ook dingen te doen waar ze trots op konden zijn. Spuuglelijke zelfgemaakte moederdagcadeautjes, elke playbackshow in de wijde omtrek van Arkel (4 jaar en dan ‘La France’ van BZN playbacken, ja daar doe je het voor als ouders), ik at mijn bord een keer leeg, en uiteraard het strikdiploma bij Juf Elly, zijn zomaar wat mijlpalen uit mijn jonge jaren. Maar wat voor mijlpalen zich ook voordeden, voor mijn vader er is één moment in mijn leven dat nooit meer overtroffen is of zal worden. De eindmusical, goede cijfers, Hotelschool diploma, het valt allemaal in het niet bij dat ene moment.

Mijn broer was altijd goed in sport. Hij was lang en atletisch en kon goed voetballen. Maar ik, ik was klein en mijn talenten lagen nu eenmaal niet op het sportieve vlak. Ballet kon ik wel, paardrijden ook, maar dat telde niet mee als sport. Zodra ik iets moest met een bal, team, of andere fysieke uitdaging, was ik reddeloos verloren. Mijn vader’s droom dat ik ooit op hockey zou gaan is dan ook nooit uitgekomen. Die stick en die bal vond ik veel te hard. Verder hield ik het lekker bij klarinetles, Barbies en het kinderkoor. En daar kon mijn vader dan weer niet zoveel mee.

Maar op dat ene moment was ik niet alleen papa’s kleine prinses, maar ook zijn zon, de maan en de sterren. Ik was tien en kwam thuis terloops melden dat ik had besloten om mee te doen aan de Stratenloop, ter ere van de feestweek in het dorp. Één hele kilometer, of anderhalf, pin me er niet op vast. Mijn ouders waren in geen velden op wegen te bekennen bij de start, maar daar ging ik. De route was me een raadsel, dus ik volgde het rood-witte lint. De afstand viel me vies tegen, maar ik was dwars genoeg om niet op te geven. Onderweg zat een meisje gewond op de grond. Jammer joh, dòòrgaan moest ik. Mensen riepen; ‘Doorlopen, je ligt aan kop!’ Geen idee tegen wie ze het hadden, want ik was uitgeput en vooral bezig niet over mijn eigen voeten te struikelen. Terug bij de feesttent, zag ik mijn ouders juichen en springen van geluk. Ik was ook superblij, want ik kon eindelijk stoppen. Wat een lijdensweg.
Toen ik weer een beetje op adem was, bleek ik gewonnen te hebben. Terwijl ik me afvroeg hoe dan, werd mijn vader er bijna emotioneel van. Die ukkepuk kan blijkbaar toch wat met die kleine voetjes! Ze kan rennen!

Nog steeds beduusd klom ik op het blok waar de 1 op stond en nam de prijs in ontvangst. Een cadeaubon van vijf gulden van de plaatselijke hobby winkel. Maar die hele flutprijs interesseerde me geen drol.

Ik had papa’s trotse ogen gewonnen.

Dampende douche. (II)

14 mei 2019
‘Anders kom je een keertje meedoen in Vuren?’ Het bootcamp clubske in Arkel ging niet door, maar m’n kleding zat nog steeds te strak, dus ik moest wat. Vuren? Da’s best een stukkie rijden. Dinsdagavond? Nee, dat komt niet goed uit. Vrijdag? Nee, eigenlijk ook niet. Kortom, Harmsen had smoesjes genoeg.

‘Kleine, zo ver is Vuren niet. Als jij wilt gaan bootcampen, dan moet je dat lekker doen.’ Wat manlief eigenlijk bedoelde was: ‘Ga alsjeblieft sporten, luie drol. Hopelijk knapt je humeur er ook een beetje van op.’, want het was duidelijk dat het thuiszitten ook zijn weerslag had op mijn anders zo zonnige karakter. Ok, ik had de boodschap begrepen en trok de stoute sportschoenen aan.

Enkele jaren geleden had ik ook een sportieve vlaag van verstandsverbijstering. Ik bootcampte trouw iedere week, waarbij ik ook trouw iedere week de dood minimaal 3x in de ogen zag. Zelfs na meer dan een jaar kon ik de groep niet bijhouden. Hoe hard ik ook mijn best deed, ik bleef er maar achteraan hobbelen met mijn tong op de knieën. Na een uur bleek ik het toch ook die keer weer overleefd te hebben en na afloop waste ik de bijna-dood-ervaringen van me af onder een dampende douche.

Strijdvaardig, en me bewust van mijn uitdagingen op sportief gebied (Lees: ik ben meer gemaakt voor slapen), zette ik de barre tocht in naar Vuren. Daar bleek een idyllisch groen veldje verscholen te liggen tussen hoge bomen achter de dijk. Da’s prettig, want dan is de lokale bevolking in ieder geval geen getuige van mijn aan epilepsie grenzende talent voor beweging.

Het begon meteen goed. Opwarmen met een rondje hardlopen. Hardlopen is de hel. Ik heb flashbacks van het groepje dat op me wacht en weer doorrent precies als ik ze paars aangelopen heb ingehaald. Maar vooruit, dit rondje was te overzien. Verder warmden we op met een spelletje met pionnetjes. Hoe vaak doe je dat nou nog na de basisschool? Daarna een circuitje met oefeningen waarbij het hele lichaam aan bod kwam. De krijger kwam in me los bij het boxen. De buikspieroefeningen koste nog wat moeite na de operatie. Opdrukken heb ik nooit gekund en vandaag was geen uitzondering. Tot slot het liedje ‘Sally Up’. Bij ‘Up’ mochten we staan, bij ‘Down’ moesten we in de squad blijven. Au… Au… Au… Nooit geweten dat dat liedje anderhalf uur duurt.

De torenklok sloeg, het uur vol afwisseling was voorbij gevlogen. In de auto terug verwerkte ik wat er zojuist gebeurd was. Mijn lijf had nog een lange weg te gaan om te herstellen en weer fit te worden. Het buikje moest een stuk strakker om weer blij te zijn in mijn eigen lichaam. Maar ik had het gedaan. Stiekem keek ik uit naar de spierpijn die de dagen erop zou volgen. Naar het teken dat er iets aan het gebeuren was met die overtollige calorieën. En het allerbelangrijkste, ik vond het nog leuk ook!

Manlief had gelijk, sporten is inderdaad goed voor m’n humeur. Op naar de dampende douche!
#jemoetwelwillen

Chocola. (I)

09 mei 2019
Ik had twee opties. Of ik accepteerde deze maat spijkerbroek, of ik ging er iets aan doen. En gezien de tranen die achter mijn ogen prikten, leek de eerste optie uitgesloten. Daar stond ik dan in de Vero Moda. Met ieder kledingstuk waar ik me uit moest wurmen omdat ik toch een grotere maat nodig had, raakte ik verdrietiger. Met een verhit hoofd opende ik het gordijn van de paskamer. ‘Ik moet gaan sporten, mam’.

Nadat ik plotseling geen baan meer had, heb ik een poosje thuis gezeten. En ik heb niet alleen thuis gezeten, ik heb ook alleen thuis gegeten. Want ja, ik moest een beetje lief voor mezelf zijn. En daar was chocola voor nodig. En Netflix. Toen ik ook nog een operatie moest ondergaan was het feest compleet. Want ja, dan moet je nòg liever voor jezelf zijn, en je koest houden onder een dekentje op de bank.

Zo kon het niet langer. Harmsen, je hebt nu lang genoeg bankgehangen, tijd om van die uitgedijde bips af te komen. Toevallig zag manlief een facebook-dingetje voorbij komen van een nieuw bootcamp clubje op het grasveld recht voor onze deur. Leuker konden ze het niet maken, en makkelijker dus eigenlijk ook niet. Voordat ik me zou bedenken, gaf ik me op. Zo, de eerste stap was gezet en ik voelde me nu al sportief.

Op de dag des oordeels werd de sportkleding werd uit de mottenballen getrokken. Zelfs de Coop had plotseling sportkleding in het assortiment. Hebben ze nooit, maar nu ineens wel, dus er viel pardoes een kittig vestje in m’n mandje. De juiste look is immers het halve werk. Nee, als er ooit een moment was om weer te gaan sporten, was het nu. De sportschoenen werden strak gestrikt, haar op een hoge staart, dopper in de hand en gaan met die banaan. ‘Ik ga vast naar buiten hoor, dan komt de rest vast zo wel!’

Onder het toeziend oog van twee kleine en één grote aap liep ik naar buiten. ‘Succes, Marissa!’, ‘Veel plezier, schat!’ Als in slow motion viel de deur achter me in het slot en daar ging ik. De straat over. De apen nog steeds toekijkend van achter het raam. Marissa en sporten, das een combinatie die je niet vaak ziet. De poes zat er inmiddels ook bij in de vensterbank. Semi-actief begon ik wat te dribbelen. Ze zouden vast zo komen. Nog even zwaaien naar het thuisfront. Ik perste er een squadje uit. Vol verwachting stonden ze te kijken.

10 minuten later was er nog niemand, dus vloekend en tierend weer naar binnen. Een pissige voicemail later bleek de trainer me keurig van tevoren te hebben gemaild dat er te weinig aanmeldingen waren, maar die mail was niet aangekomen. Stond ik daar een beetje supersportief te wezen met m’n goede gedrag. Lekker dan.

Nu heb ik chocola nodig.

Eigenwijze was.

27 februari 2019

Beddengoed is maar eigenwijs spul. ‘Hoezo’, vraag je je af? Nou, dan heb je duidelijk mijn beddengoed nog nooit ontmoet. Echt waar, mijn beddengoed doet precies wat het zelf wil. Het leidt gewoon een eigen leven.

Het zit namelijk zo. Ik stop het in de was, meestal binnenstebuiten. Dat is namelijk makkelijk als ik daarna het bed weer op moet maken. Maar het komt er altijd weer andersom uit. Ik vind dat knap. Voor mij is het namelijk best een heisa om het dekbedovertrek binnenstebuiten te keren. Maar voor mijn wasmachine is het een fluitje van een cent. Wat ook een fluitje van een cent is; Mijn dekbedovertrek eet de kussenslopen op tijdens het wassen. En die stopt ie dan als een soort hamster precies in het puntje. Inmiddels kan ik de boosaardige werkwijzen van mijn beddengoed aardig doorgronden, dus ik weet waar ik moet zoeken. Wat helaas niet voorkomt dat ik met mijn niet al te flinke postuur in die enorme klamme lap moet klimmen om de kussenslopen eruit te vissen. En op de een of andere manier lijkt dat overtrek dan ook ineens meer dan vier punten te hebben. Ik hoor mijn beddengoed bijna hardop lachen.
Eenmaal alle kussenslopen verzameld mik ik de hele boel in de droger, waarin het zich tot een soort grote kauwgombal vormt waarvan de buitenkant droog wordt en de binnenkant nat blijft. Ik heb weleens van die droger ballen geprobeerd. Maar ook die is mijn beddengoed te slim af. In plaats van zacht fluffy beddengoed, worden de ballen opgenomen in die klamme kauwgombal alsof het niets is.

Nog een persoonlijke frustratie; Sokken. Er is al veel over gezegd en geschreven, dus ik doe ook nog maar een duit in het zakje. Mijn sokken hebben in de wasmachine (of de droger, daar ben ik nog niet helemaal uit) een parallelle wereld ontdekt en zo nu en dan ontsnapt er daar eentje naartoe. Ik weet niet zo goed wat ik mijn sokken aandoe waardoor ze de behoefte hebben om aan me te ontsnappen, maar ze komen nooit meer terug als ze eenmaal gene zijde hebben bereikt. In het begin dacht ik nog dat ik de sokken zelf kwijtraakte. Ik begon danig aan mezelf te twijfelen en ik vermoed dan ook een vooropgezet plan. Een complot. Mijn sokken zijn al net zo kwaadaardig als mijn beddengoed.

Maar sinds een jaar of 2 bewaar ik de eenlingen die ik in de was tegenkom. En iedere wasbeurt check ik of er overgebleven sokken zijn die ik kan matchen. ‘Er moet toch een moment zijn waarop de andere tevoorschijn komt’, dacht ik. Maar niets is minder waar. De stapel verstekelingen groeit en groeit. En de hoeveelheid sokken slinkt. Dat levert eenzame poezen, hondjes en Minnie Mousejes op.

Gelukkig heeft het eigenwijze beddengoed de parallelle wereld nooit ontdekt, dus tot nu toe zijn alle kussenslopen boven water gekomen. Wel zoekt er af en toe een sok zijn heil in een kussensloop of dekbedovertrek. Die heeft dan blijkbaar een verkeerde afslag genomen, maar die stoute rakker vind ik dan weer terug en match ik met een eenling van de verstekelingenstapel. Lekker puh.

En ik kan dus intens van zo’n moment genieten.
‘Marissa 1, eigenwijs beddengoed 0’, denk ik dan. Yes!

Mannelijke heupen.

3 juni 2018.

´Ooow, ik wou dat ik een vent van 1.90m was!´, roep ik wanhopig als de motor voor de zoveelste keer bijna uit mijn handen glipt. Kreeg ik slalommetjes, achtjes en stopproeven al moeilijk onder de knie, lopen met een motor aan de hand is weer een heel ander niveau van lastig. ‘Een motor is om op te rijden, niet om mee te lopen.’, probeer ik. Volgens instructeur O. is dit een verzekeringsdingetje. Blijkbaar wordt er nogal wat schade geclaimd nadat mensen hun brullende machine niet de baas kunnen bij het in de schuur zetten ervan. En dus moet iedere aspirant motormuis nu ook leren hoe je zo’n ding bedwingt als je er niet op zit. Da’s dus eigenlijk best nuttig. Maar wat een gedoetje!

Terwijl het zweet me uitbreekt duw ik 160 kilo zwart lomp ijzer op wielen voort. En dan het ergste: een bochtje achteruit om middenin een denkbeeldig parkeervak uit te komen. Terwijl ik het stuur van me af draai en het bochtje inzet kantelt de motor mijn kant op. Daar sta ik dan. Bijtend op mijn lip, armen vooruitgestrekt en kont naar achteren in een poging een soort een contragewicht te vormen om dat bulderende monster overeind te houden. Ik voel me als een eendenkuiken. Een poepend eendenkuiken met epilepsie. Een eendenkuiken met inmiddels prikkende ogen van het zweet en een beslagen vizier. Instructeur O. moet de grappigste baan van de wereld hebben.

Iedere les hoor ik hetzelfde. Doorkijken! Afschuinen! Vanuit de heupen! Tja, vanuit de heupen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Is het de angst om te vallen, ben ik überhaupt een stijve hark? Of zit die motorbroek te strak? Instructeur O. houdt het erop dat ik een vrouw ben met mannelijke heupen, of zoiets. Die vent ben ik dus blijkbaar wel, die 1.90m is nog een dingetje.

En waarom onderga ik die zelfkastijding ook alweer? Ik vraag het me iedere les weer af. Om mijn doel eens goed te visualiseren heb ik gezocht naar afbeeldingen van kleine vrouwtjes op Ducati Monsters. Oh ja, daarom. Ik wil zo’n blinkend grommend apparaat tussen mijn benen. Tochtjes en bochtjes maken. Opperste concentratie. Rijden en verder niets. Wapperende haren onder de helm vandaan. Vrijheid en controle. Alle zintuigen op scherp. De uitdaging aangaan en tegelijk ontspannen.

De helm gaat af en instructeur O. praat tegen mijn plakkerige rode hoofd. ‘Nou, dat ging goed hè?’
Waarop ik hem aankijk en me afvraag of hij wel naar dezelfde les heeft zitten kijken. Ik voel me nog steeds geen held in de achtjes, ik schakel te snel af in de vertragingsoefening, en laten we het maar niet meer hebben over lopen met dat kreng.
‘Ja, ik ben dit keer niet gevallen…’ grapte ik.
‘Nou, het stadium van vallen ben je nu wel voorbij, Marissa’. Lacherig zeg ik blij te zijn dan in ieder geval één stadium te hebben afgerond. O. spreekt me gewichtig toe. ‘Harmsen, het is mooi dat je de eisen aan jezelf steeds bijstelt, maar goed is goed, hè.’,
‘Oh.’ En mijn gezicht zit weer in de plooi.
‘Als je dit volgende week op je examen doet, haal je het gewoon.’
Slik… Examen? Dan haal ik het gewoon? Serieus? Gaat mijn examen voertuigbeheersing dan niet afhangen van een wonder, maar kan ik het echt? Met zelfs nog 4 lessen in het vooruitzicht?

Tja, nu het eruit ziet dat het er dan toch echt van gaat komen, wordt het ook wel tijd dat ik die theorie maar eens ga halen.
Werk aan de winkel dus, voor dit kleine mannelijke eendenkuiken!

Tranen gelachen.

21 mei 2018

Met een grote glimlach stap ik in de auto. Half april, het voorjaarszonnetje schijnt. Ik zet mijn zonnebril op en draai de sleutel.
Vriend J. en ik kennen elkaar vanaf de Hotelschool en hebben sindsdien altijd contact gehouden. Zo eens in het half jaar gaan we samen lunchen bij ons Utrechtse stamcafé. En steeds als ik in de auto stap naar onze lunch, heb ik een beetje het gevoel dat ik op vakantie ga.

De navigatie stel ik in op het adres van de Douwe Egberts fabriek vlakbij zijn huis. Na al die jaren weet ik namelijk nog steeds zijn adres niet, maar alleen waar zijn huis woont. Eerst kwam ik altijd een half uur te laat omdat ik verkeerd reed, maar tegenwoordig zet ik Google Maps aan. Nu kom ik nog steeds te laat, maar dan gewoon omdat ik niet op tijd vertrek. Vriend J. weet dat. Sterker nog, hij rekent erop.

Eenmaal op de snelweg grabbel ik in mijn handschoenenkastje op zoek naar een CD. Ik tref de liveopname van The Corrs. Hoe kon het anders. De muziek voert me terug naar onze epische trip naar de Franse bruiloft van ons oud-klasgenootje. Het is inmiddels een jaar of 8 geleden, maar dat weekend vergeet ik nooit. Een traditionele marriage, à la campagne tussen de ezeltjes, in een Frans dorpshuis. Het was een hele happening in dit anders zo rustige village. J. en ik waren vreemde eenden in de bijt, en tegelijk pasten we er precies tussen. Hoe later op de avond, hoe beter het Frans ging. Geheel volgens traditie arriveerden we ook hier te laat. Met als resultaat dat we het bruidspaar, direct na het Oui-woord, als aller-eersten mochten feliciteren. Tot groot ongenoegen van de overige gasten. Tot grotere hilariteit van ons.

Hij ziet me aan komen sputteren in mijn Panda met Turbo. De hedendaagse Dandy twijfelt tussen een polo of trui. Het wordt polo èn trui. We vertrekken lopend naar ons eettentje. We gaan altijd lopend. Verrassend genoeg zijn de weergoden ons vaak gunstig gezind. Met een slinkse move weten we een plaatsje in de soleil te bemachtigen. Windstil, onder de luifel. Pas als de ober er al 4 keer om heeft gevraagd en de wanhoop nabij is, kijken we voor de vorm op de kaart waarna we toch altijd hetzelfde bestellen. Maar… Mon Dieu! Ze hebben een nieuw menuconcept. Je zou denken dat ons Hotelschool-hart hiervan sneller zou kloppen, maar onze hang naar oud en vertrouwd wint. Na lang mutsen (Wat was er mis met die oude kaart??) toch maar iets nieuws gekozen. We praten, we lachen, doen een wijntje en nog één, en zien de zon langzaam om ons heen draaien. De oude geintjes, maar ook serieuze onderwerpen wisselen elkaar af. Het kan allemaal, het mag allemaal. We hebben een heel verschillende levensloop, maar weten elkaar steeds weer te vinden. Dan praten we en luisteren we. Dan vertellen we elkaar de waarheid, lachen het weg, beuren elkaar op, stellen kritische vragen en kunnen dat van elkaar hebben.

J. krijgt de echte Marissa te zien. Omdat hij de moeite ervoor neemt. Omdat hij zich niet laat afschrikken door die grote waffel, of zich om de tuin laat leiden door mijn babbeltjes. Omdat we niets aan elkaar hoeven te bewijzen. Omdat hij naar me kijkt en me ziet. Omdat hij luistert en me hoort. Omdat we houden van spot en zelfspot. Een rendez-vous met vriend J. betekent in de spiegel kijken. En ik heb zo’n vermoeden dat dat een beetje wederzijds is. Na een hele middag grappen, grollen en bekennen is de conclusie duidelijk. De volgende keer toch maar weer croquettes op brood.

Met nog vochtige ogen van de slappe lach nemen we afscheid. ‘Moeten we eigenlijk vaker doen!’ Misschien wel, maar misschien ook wel niet. Het komt zoals het komt en dat is juist het mooie. Ik voel me kilo’s lichter als ik weer achter het stuur kruip. Er is ballast verdwenen waarvan ik niet eens wist dat ik die meedroeg.

Ik heb tranen gelachen, onnozel gedaan en ben ten slotte tevreden… weer à la maison gegaan.

Knipogen.

7 april 2018.

Sinds kort ben in gestart met lessen voor het motorrijbewijs. Ik dacht ´dat doen we wel even´.
Nou, dat valt nog vies tegen.

De eerste les zat ik breed grijnzend op de verlaagde zwarte Honda, kon het me niet snel genoeg gaan en had ik dat rijbewijs in gedachten praktisch gezien al in de pocket. De 2e les gingen we er dus maar meteen 3 uur tegenaan op een Yamaha. Voelde ik me op de lage Honda een hele dame, op de Yamaha kon ik net met m’n tenen bij de grond. Resultaat; 4 keer op m’n snufferd.
M’n 2 mede-cursisten hebben me van het asfalt geplukt en na 3 uur was ik een ijsblokje, had verkrampte handen en de rechterkant van mijn lichaam voelde beurs. Ik moest maar één ding en dat was van die motor af. En wel nu. Ik voelde tranen branden. Wat vond ik mezelf een ontzettende Josti.

Ondanks deze traumatische ervaring toch meteen een les ingepland voor de volgende dag. Een andere instructeur dit keer, maar gelukkig was mijn vertrouwde lage Honda weer terug. Met spierpijn hees ik mezelf weer op het paard. Wat denk je, bij de eerste keer stoppen lag ik weer op m’n gat. Gelukkig was er niemand in de buurt om de scheldkanonnade aan te horen, want chique klonk het niet. In plaats van troostende woorden of ‘Gaat het?’, hoorde ik in mijn oortje:
‘Ja, je stopt ook precies op een plek waar de weg naar rechts helt en die paar centimeter kun jij niet compenseren met die korte pootjes!’
Pardon? Even voelde ik me verongelijkt door de directe aanpak van instructeur O. En toen lachte ik mezelf uit. Tja kleine Harmsen, als jij wilt leren motorrijden is dit juist nuttige feedback. De rest van de les ben ik keurig overeind gebleven.

Daarna had ik een week om te malen tot de volgende les. Dat was niet best. De moraal zakte van ‘komt wel goed’ naar ‘Ik word niet groter en die motor niet kleiner…’. ‘Als ik niet eens normaal zo’n apparaat op de standaard krijg, hoe gaat dat dan als ik zelf een motor aanschaf?’
Met lood in de schoenen naar de volgende les. ‘ O., ik weet het niet. Ik twijfel of ik moet stoppen.’ Ik leg uit dat ik er nog steeds van droom om straks op een mooi bulderend glimmend apparaat de regionale dijkjes te bestormen, maar het idee heb dat motorrijden niet bedoeld is voor kleine vrouwtjes die niet belemmerd worden door enige motorische aanleg. ‘Zeg Maris, ben jij gewend dat dingen jou nogal makkelijk afgaan?’

Eehm, daar zou hij een punt kunnen hebben. ‘Kijk, je bent kleiner dan gemiddeld en een motor is gewoon best groot en zwaar. Dat betekent dat jij net even wat harder moet werken dan wanneer je een grote kerel zou zijn.’ Ja, dat was inmiddels wel duidelijk. ‘Maar als wij dachten dat je er geen gevoel voor zou hebben, dan hadden we je dat al lang gezegd hoor. Dat komt heus wel goed.’ Ja, dat kun jij nou wel zeggen, dacht ik, maar ik moet het nog wel even doen.
Plotseling viel het kwartje. ‘O., ik besef me dat dit een van de weinige situaties in m’n leven is waar ik me niet uit kan kletsen. Eén van de weinige situaties die ik niet kan compenseren met m´n grote waffel of blauwe ogen.’ Waarop instructeur O. zegt: ‘ Tja, die motor knipoogt echt niet terug, hoor!’

Nadat hij plechtig heeft beloofd dat ik op een lage motor kan blijven lessen en dat hij het echt zal zeggen als hij geen heil meer ziet in de relatie tussen de motor en mij, besloot ik om door te zetten. Ondertussen waren de 2 mede-cursisten ook gearriveerd.
‘Wat? Nee joh, je gaat toch niet stoppen? Die motor van vorige week was gewoon een beetje te hoog, maar verder ging het toch prima?’
‘Oh…’,
‘Nee, niet doen hoor. En als je valt, dan rapen we je gewoon weer op!’
‘Goh, bedankt!’

Kortom, nu is het een principekwestie. En kom niet aan mijn principes.
Ik ben vastberaden om dat papiertje in de wacht te slepen. Dan maar wat extra lessen, dan duurt het maar wat langer, maar ik laat me toch verdorie niet klein krijgen!

Zo motor, nu gaat het tussen jou en mij. Ik zal je bedwingen, let maar op. En het heeft echt geen zin om naar me te knipogen.