Dag 3: Frietjes.

30 april 2014
Lief dagboek,

OMG, ik verrek van de spierpijn. Mijn gevoel hierover verhoudt zich tussen ‘zie je wel dat ik fiks gewandeld heb’ en ‘ik voel me een oud wijf iedere keer als ik uit mijn stoel kom’. Maargoed, mijn lichaam heeft in elk geval het idee dat het hard gewerkt heeft, dus laat ik die gedachte dan maar delen. Bovendien, vandaag is een mooie dag, want we gaan patatjes eten!

Ik weet wat je denkt: Da’s niet handig als je wilt afvallen. En daar heb je een punt. Maar Niels heeft mij frietjes beloofd en sommige verleidingen zijn niet te weerstaan. En wil ik ook niet weerstaan, want het moet wel een beetje leuk blijven. Wel baart het me zorgen dat mijn avondplannen het niet toelaten om te gaan sporten ter compensatie, en dubbelop slecht gaat wel erg ver.

‘Weet je wat?’, dacht ik ’s ochtends voor de spiegel, ‘Ik ga op de fiets naar m’n werk! Dan heb ik in ieder geval een beetje beweging vandaag!’. Enthousiast over mijn spontane briljante ingeving trok ik mijn sportieve bodywarmer uit de kast, mijn fiets uit de schuur en daar ging ik. 20 Meter.
Is die band nou zo zacht? Even voelen. Ja hoor. Lekke band! Dat meen je niet!
Zie je wel, het universum wil niet dat ik sport. Nou universum, daar sluit ik mij volledig bij aan. En je zult dus wel heel tevreden zijn dat ik vanavond gewoon frietjes ga eten.

Maar dan. Het knaagt. Ik weet niet wat er met me gebeurt! Ga ik me nu schuldig voelen omdat ik frietjes ga eten? Doe normaal. Het moet niet gekker worden!
Maar ik ben al 2 hele dagen heel goed bezig. En het zou jammer zijn als die 2 lijdenswegen van de afgelopen dagen voor niets zouden zijn geweest.

Dat is nou het verneukeratieve van sporten. Toch maar een rondje skaten dan!

Dag 2: Zachtlopen.

29 april 2014
Lief dagboek,

Ik wilde niet meteen een party pooper zijn door dat plekje op mijn been, dus die middag kreeg ik de openbaring dat ik best een stukje kon hardlopen. Vrienden van mij zijn ontzettend fanatiek bezig met marathons en andere loopdingen, dus hoe moeilijk kon het zijn? 42 Kilometer leek me wat ambitieus om mee te starten, maar een rondje Onderweg moest geen probleem zijn.

Thuis trok ik mijn sportiefste outfit aan, uiteraard wel matchende schoenen en vestje. Snel Niels geappt: ‘Schrik niet, ik ben even hardlopen.’, waarop ik het enig mogelijke antwoord kreeg: ‘WTF?’
Ik doe de deur achter me dicht en loop de straat in. Beetje onwennig. Eehm, ja dan moet ik nu gaan rennen, toch? Want ik heb me niet voor niets zo übersportief aangekleed. Dus ik boog mijn armen sportief-achtig langs mijn zij en versnelde mijn pas naar een drafje.

Anderhalve minuut later dreunt iedere stap wel erg door in mijn lichaam. ‘Nou’, bedenk ik me, ‘je moet dit soort dingen rustig opbouwen.’ Dus ik besluit 1 minuut te joggen en dan 30 seconden te wandelen. Aan die minuut lijkt maar geen einde te komen en die 30 seconden vliegen voorbij.
Op het Hoefpad kom ik nog een sportieveling tegen. Ze zag eruit alsof ze er echt verstand van had. Met zo’n strak half broekje, ademend jasje, flesje water, en van die lelijke hardloopschoenen, ieuw! Ze rende niet, ze wandelde. En ja, als zo’n professional wandelt, wie ben ik om dan te gaan rennen? Ik vond het zelf al belachelijk en dat vond zij vast ook. Dus besloot ik alleen nog maar 30 seconden-sessies te doen.

Met ferme pas liep ik langs de Onderweg. Terwijl ik het gevoel had dat mijn outfit er sportiever uitzag dan ikzelf, besloten mijn kuiten anderzijds. Dit gevoel is nieuw. Was het verzuren, was het kramp? Geen idee, maar het was onplezierig. Soms zie ik mensen heel interessant rekken en strekken en ineens had daar ook enorme behoefte aan. De eerste de beste lantaarnpaal klampte ik vast en hield mijn voet tegen mijn billen geklemd. Hoe lang moet zoiets? Ik besloot 10 seconden, want daarna ging het zeer doen. Het zag er vast nogal treurig uit, maar verdomd, het leek beter te gaan.

Beter? Ja. Maar leuk? Nee. Tijdens deze fikse wandeling heb ik genoeg tijd om na te denken. En ik kom tot de conclusie dat sporten echt strontvervelend is. Met elke stap die ik zet wil ik dat het ophoudt. Nu. Maar ik heb nu eenmaal een doel. En ik moet nu eenmaal naar huis. Ik heb namelijk geen telefoon bij me om Niels te vragen om me op te halen. Da’s een efficiënte stok achter de deur.

Intern foeterend blijf ik mijn ene voet voor de andere zetten. En daar verschijnt Arkel weer aan de horizon. En… Is dat…? Jazeker, het was mijn vader met de hond. Ik zette snel een sprintje in! Maar dat duurde nog geen 10 seconden, want wie hield ik hier nu voor de gek?
‘Wat doe jij nou?’, vroeg mijn vader terecht vol verbazing. ‘Lopen’, zei ik. Ja, hardlopen kon ik het niet noemen. ‘Ok…’, zei m’n vader vertwijfeld. Ik vertelde dat ik gisteren ook al had geskate en hij was diep onder de indruk. Alleen ik proefde ook een beetje ‘dat-houd-je-toch-nooit-vol’ in zijn stem. En daar kon hij weleens gelijk in hebben. Dat proef ik zelf ook bij iedere stap.

Weer thuis spring ik onder de warme douche. Steeds een beetje warmer, totdat mijn huid bijna pijn doet. Nu zit ik fris gewassen op de bank in mijn Betty Boop pyjama en pandasloffen.
De snelwandeling was heerlijk. Nu het voorbij is dan.

Dag 1: Skate-fietsen.

28 april 2014
Lief dagboek,

Skaten. Dat heb ik vroeger veel gedaan. Ik was er zelfs best goed in! Met gemak ging ik erop naar Gorinchem, soms zelfs naar school. Vrijwillig. Echt!
Dus als er een sport is die ik te verdragen zou vinden, nou, dan zou het skaten zijn. En ik zou ook maar meteen vanavond beginnen. Enthousiast appte ik Niels dat hij vanavond op de fiets zou gaan en ik op de skates. Leek me gezellig.
Thuisgekomen heb ik ze uit de schuur gehaald en afgestoft. Ze zijn 16 jaar oud en nog steeds cool, een beetje licht blauw-paarsig met zilver. Daar kan ik mee voor de dag komen!

Dat enthousiasme was er al snel vanaf. Misschien was ‘gezellig’ skaten terwijl Niels meefietst een beetje geromantiseerd. Na 500 meter had ik al niet genoeg lucht meer om te praten en eigenlijk zaten fietswiel en skatewiel elkaar constant in de weg. M’n bovenbenen voelden alsof er lood in zat. Er zat geen gevoel meer in m’n kuiten. Het zweet brak me aan alle kanten uit. Mijn hoofd had inmiddels de kleur en vorm van een overrijpe vleestomaat. En Cafetaria Molenzicht was nog niet eens in zicht.

Maar ik ging dòòr, want straks zouden we dat fijne nieuwe fietspad langs de Vlietskade bereiken. Ik kon het prachtige gladde asfalt al bijna ruiken! Nou, dat prachtige gladde asfalt was nog best een takke-end skaten. En dat prachtige gladde asfalt was bezaaid met takjes en andere bomen-frutsels. Levensgevaarlijk, want als m’n wieltjes blokkeren, betekent dat een enkeltje orthodontist.

Eindelijk, na het hobbeldebobbel asfalt van de Haarweg kwam de Haarbrug kwam in zicht. Ik hoopte stiekem dat de brug open zou gaan, want dan kon ik even rusten. Maar helaas, ik moest meteen door naar het laatste stukje Kanaaldijk. Oooeh, ik kan Arkel weer zien. Daar word ik normaal niet zo vrolijk van, maar op dit moment kon ik geen mooier beeld bedenken.
Wind tegen, dus Arkel kwam nauwelijks dichterbij. Na de zware laatste loodjes waren we eindelijk bij de trap vanaf de Kanaaldijk. Ik ga er maar zittend vanaf. Niet de charmantste, wel de veiligste methode. En ik kon meteen even zitten.

Met een zucht van verlichting neem ik thuis plaats op m’n krukje en doe mijn skates uit. Om erachter te komen dat mijn rechterskate een pijnlijke plek op mijn been heeft achtergelaten door de wrijving.
Hè verdikkeme, nu kan ik morgen niet skaten… Ècht héél jammer…

Minder Marissa.

27 april 2014
Lief dagboek,

Je weet dat ik niet zo van sporten houd. Sterker nog, ik denk dat ik nog minder van sporten houd dan van champignons. Ja, ik weet het, ik heb mezelf 2 jaar geleden een poosje in de maling genomen door 3x in de week naar de sportschool te gaan en heel hard te roepen dat ik ervan genoot. Maar daar trapte niemand in en toen de bikini-vakantie eenmaal voorbij was heb ik dat abonnementje snel aan de wilgen gehangen.

Nu is het woord ‘a-sportief’ nog niet opgenomen in de Dikke van Dale, maar ik denk dat meneer Van Dale een foto van me komt nemen als het moment daar is. Sterker nog, ik ken deegrollers, badkamertegels en sofa’s die sportiever zijn dan ik.
Nu heb ik het ook niet echt met de paplepel ingegoten gekregen. Mijn beide ouders doen niet echt aan sporten. Ja, de hond houdt wel van rennen, maar nog meer van slapen. En die is eigenlijk ook een tikkeltje te dik. Zelfs onze kat weigert haar krabbelton op te klimmen zonder krukje ernaast.

Doe het dan lekker niet, zou je denken. Ja. Dat lijkt me fijn. Maar ik heb nu een doel.
Op 6 juni trouwt mijn vriendinnetje N. En dan moet ik leuk voor de dag komen. Liefst zonder die 5 kilo extra muffintop. Op 24 mei gaan we voor mijn jurkje shoppen voor haar bruiloft. En ik wil niet allemaal jurkjes aantrekken waarvan de verkoopster zegt: ‘Kijk, deze verbergt je moeilijke zones heel goed!’ Ik wil helemaal geen moeilijke zones. Ik ben 1.62m en weeg 60 kilo. Dat is helemaal niet zo dramatisch, maar dat zijn wel meer de verhoudingen van een schattig beertje dan van een ranke gazelle, zeg maar.

Dus ik ga de strijd aan. Ik wil 3 kilo kwijt, maar heb zojuist in Psychologie Magazine gelezen dat als je jezelf een zwaarder doel stelt, je meer afvalt, dus zeg ik: Ik wil maximaal 55 kilo wegen op 24 mei.

Ik wil van dat vettige buikje af. Ik wil weer perfect in mijn Jungle-broek passen. Daar kom ik nu ook wel in, maar ik moet wurmen. Ik wil niet meer wurmen. Ik wil weer BH’s aan met ondermaat 70, want dan is de cupmaat groter en dat vindt Niels leuk. Ik wil weer zo’n ultrakort broekje aan zonder dat er zo’n homp vlees onderuit komt, maar een beschaafd bovenbeen. Ik wil weer laarzen kunnen passen zonder twijfelende gezichten van de verkoopster of ik de laars niet sloop met mijn kuiten. Ik wil weer jasjes aankunnen zonder dat de mouwen strak zitten.
Kortom, 5 kilo minder Marissa zou helemaal prima zijn.

Nu ben ik nog net op tijd. Nu heb ik namelijk nog niet echt het figuur van een Michelin-mannetje.
Ik neem het heft in eigen hand. Tjakkaaaa!

Kleine Harmsen

20 april 2014
1e Paasdag 2014, 11.15 uur: Het jaarlijkse paasontbijt bij mijn ouders. Tegen de verwachting in waren mijn broer en schoonzus er al. Ik vond het leuk om ze weer te zien, want dat was al weer even geleden. Extra leuk, omdat mijn schoonzus een klein nichtje of neefje in haar buik heeft zitten, dus ik heb natuurlijk ´hallo´ tegen haar buik gezegd en er een aai over gegeven. Normaal vind ik het stom als mensen aan de buik van een zwangere vrouw zitten, want daar zou ik ook niet op zitten te wachten, maar deze spruit is ook mijn familie, ja!

We waren net aangeschoven aan het paasontbijt en mijn dag kon niet meer stuk. Want wat zag ik daar op mijn bordje staan? Jawel, een chocolade paashaas! Jottem, wat een feest!
Vorig jaar stond er namelijk geheel tegen de traditie in geen chocolade paashaas / paasei / paaskip op mijn bordje. En die teleurstelling heb ik niet onder stoelen of banken geschoven! (Je kent me.)
Dus toen de paashaas dit jaar wel weer had besloten om ons te voorzien van een verrassing van mierzoete goedkope chocolade in een aluminiumfolie jasje van een paashaasmevrouwtje (Niels had een paashaasmeneertje) was ik in de zevende paashemel.

Maar. Want er kwam dus een maar. Mijn moeder begon: ‘Eehm, het is wel een paashaas met een mededeling…’ En terwijl ik me afvroeg wat een chocolade paashaas in vredesnaam te melden kon hebben, vervolgde moeders iets te vrolijk naar mijn zin: ‘Dit is namelijk het laatste jaar dat jullie een chocolade paashaas krijgen. Want volgend jaar zijn jullie niet meer de jongste generatie, maar krijgt alleen ons kleinkind nog maar een paashaas. Hihihi, of een groot paasei. In ieder geval iets heel groots! Hihi!’.
Er viel een doodse stilte en de geschrokken blikken waren op mij gericht.

Wel verdraaid. Verward keek ik om me heen, hopend op bijval, maar die was ver te zoeken. ‘Nou ja zeg!’, bracht ik uiteindelijk uit. ‘Ik heb er toch niet voor gekozen dat mijn broer besloot jonkies te krijgen?’ Er werd hard gelachen. Ze dachten dat ik een grapje maakte. Maar hallo zeg! Alles leuk en aardig dat ik een neefje of nichtje krijg, maar die kleine broekenpoeperd heeft me nu al wel een chocolade paashaas door de neus geboord. En het is nog niet eens geboren! Tel daarbij op dat het ongetwijfeld blond haar en blauwe ogen krijgt en in het tiende levensjaar vrijwel zeker groter is gegroeid dan tantelief, en de kleine ariër staat al minimaal 5 punten voor in het leven.

Schoonzuslief probeerde nog; ‘Maar volgend jaar is de kleine pas 9 maanden dus daar merkt ie nog niets van, dus wat mij betreft mag jij dan nog wel een paashaas hoor…’. Dat was een dappere poging, maar bij de toekomstige opa en oma was de grijns met geen mogelijkheid van het gezicht af te poetsen, dus acceptatie was mijn enige optie.

Zo daar, het is dus officieel. Ik ben niet meer de jongste in ons gezin. De aandacht gaat tegenwoordig uit naar een nog niet geboren jongetje of meisje dat, als de genen van papa en mama goed doorkomen, een prachtig, intelligent en lief exemplaar belooft te worden. En stiekem houd ik ook al van die kleine wurm. Hoe kan het ook anders.

Succes met je paashaas, kleine Harmsen, hij is je gegund.

Onze laatste paashazen. Ik zal ze koesteren.

Onze laatste paashazen. Ik zal ze koesteren.

Tetevreden

9 april 2014
Weet je wat nou zo stom is? Wat nou zo ontzettend vervelend is? Weet je waar ik me nu al 2 avonden druk over maak? Nou? Hè? Nou? Ik ga het je vertellen!

Ik heb helemaal niets te klagen! Nee. Eigenlijk gaat het mij best voor de wind. Ik heb eigenlijk gewoon best een leuk leven. Elke morgen word ik wakker naast mijn lief. Elke weekdag ga ik met plezier naar m’n werk. Elk weekend doe ik gezellige dingen. Aan het einde van m’n centjes is de volgende maand alweer begonnen. Elke week patatjes en een frikandel. Elke dag fijn kroelen, met onze dochter op 4 pootjes èn met Niels! We gaan over een paar maanden met z’n 3en verhuizen naar ons mooie, nieuwe huis. Alle Funda-, onderhandel-, testamenten-, notaris-, hypotheken-, en handtekeningenstress is achter de rug. Ja. Ik heb echt niets te klagen.

En dat is zo stomvervelend! Want ik probeer al 2 avonden een blog te schrijven en er komen alleen maar tevreden dingen uit m’n vingers. Jakkes. Daar is natuurlijk geen drol aan om te lezen, dat snap ik ook wel. Nee, ik ben op m’n best als ik ergens lekker over kan klagen. Kan zeuren. Als ik het ergens lekker helemaal niet mee eens ben. Als ik weer eens het gevoel heb dat me grof onrecht is aangedaan. Als ik kan zwelgen in zelfmedelijden. Als ik me ergens lekker over op kan winden. En dat ik daar dan fijn over door kan draven in mijn blogs. Klein leed waarover ik compleet los kan gaan, dan ben ik mijn element. Dat vind ik niet alleen leuk, maar zorgt er soms ook voor dat Niels niet de dupe wordt van mijn temperamentvolle karakter. Of het serviesgoed, of nouja vul maar in.

Toen ik leed aan ambitie maar die niet werd vervuld, toen ik vrijgezel was en me soms helemaal alleen op de wereld voelde, maar soms ineens een vrouw van de wereld, en dan weer onzeker, en dan weer helemaal blij met mezelf… Dat waren nog eens tijden! Toen had ik elke dag wel een aanleiding om mijn gedachtekronkels de wereld in te slingeren.

Maargoed, dat heb ik dus niet. Ik ben vandaag de dag tevreden. Jakkes. Ja natuurlijk, ik zou ook wel willen dat mijn vloer zichzelf zou stofzuigen… of dat alle spullen die mee moeten vanzelf de verhuisdoos in wandelen… dat de printer op mijn werk eens op een moment stuk gaat dat ik er geen last van heb… dat mijn gewassen kleding zelf weer netjes gestreken in de kast zou gaan liggen… dat die 5 kilo muffintop zichzelf even wegsport… dat broccoli naar chocola zou smaken… dat die stofkont op 4 pootjes haar haren eens bij zich zou houden… dat ik een ijsje zou kunnen eten zonder van die pijnscheuten door de kou… dat ik eens zou weten wat ik met m’n haar wil en dat mijn haar dat dan ook wil… dat onkruid in de tuin er niet asociaal uit zou zien… dat ik naast Disneyland zou wonen… Dat ik eens brieven zou krijgen van ANWB, Zilveren Kruis, of m’n pensioen, die gewoon kloppen… dat we vrijdag sloffendag zouden hebben op het werk…

Ach, blijkbaar heb toch genoeg te klagen. Gelukkig maar.

J.

Onderstaand gedicht schreef ik toen een leeftijdsgenoot vanuit het niets overleed. Meer dan bekenden waren we niet, we kwamen elkaar weleens tegen. Ik werd echter gegrepen door de vergankelijkheid van het leven. Door zijn dood werd ik keihard op de feiten gedrukt. Het liet me niet los, dus heb ik onderstaand gedicht geschreven. Zijn familie kende ik niet, maar heb gezorgd dat ze dit gedicht wel kregen. Want ik vond; Al ken je elkaar niet, je begrijpt elkaar wel. 7 januari 2013

J.

Ik kende je maar een beetje
maar een beetje was genoeg

Om de krater te zien ontstaan
toen jouw verlies insloeg

Oneerlijk, te vroeg, te plotseling…
Clichés zijn er duizend-en-één

Hoewel ze allemaal op jou slaan
dit omschrijven, dat lukt er geen

Ik kijk naar binnen door het raam
in dit huis met verdriet gevuld

Maar ook ik voel de immense leegte
die het verdriet nu nog verhult

Niemand heeft het in de hand
al is dat nu moeilijk te verdragen

Maar ik hoop dat de hand die jou wegnam
je vasthoudt en je zal blijven dragen

Ik kende je maar een beetje
Maar wat me opviel toen ik je zag

zal ik nooit vergeten:
Jouw open, vrolijke, onbevangen lach